Hongarije

In 2017 en 2017 trok ik voor Knack en Trouw langsheen de Europese buitenrand. Dit waren de belangrijkste haltes: Brussel  |  Hamburg  |  Berlijn  |  Kopenhagen  | Nuuk  |  Kaliningrad  | Baltische Zee  |  Vilnius  |  Riga  |  Tallin  |  Narva   |  Pskov  | Sint-Petersburg  |  Minsk  |  Odessa  |  Kiev  |  Chisinau, Moldavië  |  Transnistrië  |  Boedapest  |  Belgrado  |  Vukovar  |  Bijeljina  |  Srebrenica  |  Sarajevo  |  Pec  |  Pristina  |  Skopje  |  Thessaloniki  |  Egeïsche Zee  |  Istanbul   |  Tyre  |  Baalbek  |  Beiroet   |  Caïro  |  Luxor  |   Bamako  |  Djerba  |  Sidi Bouzid  |  Dougga  |  Tunis  |  Algiers  |  Tanger  |  Aït-Ben-Haddou

BOEDAPEST – De voorbije maanden trok ik van Groenland via de Baltische staten naar Rusland, Wit-Rusland, Oekraïne en Moldavië. De spanningen met Moskou lopen op die geopolitieke breuklijn hoog op. Sinds het Westen met de uitbreiding van de Europese Unie en de NAVO aan invloed heeft gewonnen rondom het Balticum, probeert het Kremlin het Westen met alle mogelijke middelen de pas af te snijden. Maar wat vooral opviel, was hoe de angst van de bevolking voor de ambities van Rusland door lokale politici gebruikt wordt om hun positie in het binnenland te verstevigen. Ze grijpen de externe dreiging aan om de aandacht af te wenden van de corruptie en de armoede in eigen land.

Van dat Oost-Europese front verschuift mijn focus naar de Balkan, maar eerst houd ik nog halt in Hongarije. Hier wil ik begrijpen of de Europese Unie het land van Viktor Orban aan het verliezen is, of dat Orban net de voorhoede is van een nieuw conservatief en nationalistisch reveil in Europa. Het is vijftien jaar geleden dat Hongarije ervoor koos om toe te treden tot de Europese Unie. Sindsdien hebben de Europese instellingen er jaarlijks vier miljard euro geïnvesteerd en toch vindt amper een derde van de bevolking de Europese Unie een goede zaak. Eerste minister Orban heeft er zijn handelsmerk van gemaakt om Brussel te provoceren met maatregelen die de rechtsstaat verzwakken. Hoe komt het dat de Hongaren zo bitter zijn over Europa ondanks de steun? Kan Orban echt de voortrekker worden van een nieuwe conservatieve beweging in Europa, en maakt zijn nationalisme het land ook effectief sterker?

Corinthia Hotel

‘Europa moet meer begrip tonen voor de situatie van dit land. Met het opgestoken vingertje alleen zal het de bevolking er heus niet van overtuigen dat Orbans beleid de democratie en de welvaart van het land in het gedrang brengt. De betuttelende houding van Brussel werkt averechts.’ Het is de mening van Patrick Nopens, een voormalige Belgische defensieattaché die nu in Boedapest woont. Ik ontmoet hem toevallig tijdens mijn vlucht en hij biedt me een lift aan van de luchthaven naar mijn hotel. Zijn oude Defender doorkruiste bijna de hele voormalige Sovjet-Unie en bromt nu over de nachtelijke ringweg. ‘Probeer naar Hongarije te kijken met een open geest’, adviseert hij. ‘Dit land is strategisch belangrijk en we mogen de Hongaren niet van ons vervreemden.’

Ik meld me in het Corinthia Hotel, een prachtig negentiende-eeuws etablissement, waar Bela Bartok nog componeerde en de burleske Joséphine Baker ooit in de statige spa dobberde. Net voor mij is een buslading Chinezen gelost, nu drukdoende de marmeren hal te fotograferen. Ik sluit aan in de rij om me te registreren. Een conciërge ziet me ongeduldig worden en biedt een glas zoete wijn aan in de bar. Op een televisiescherm zie ik Orban naast de Israëlische eerste minister Bibi Netanyahu. Ze leggen bloemen bij een monument. Vreemd, dacht ik, was het niet net Orban die van leer trok tegen de Joodse invloed – met name van miljardair Georges Soros die in Hongarije steun gaf aan tal van projecten voor het behoud van de democratie? Daarna volgen beelden van Orban bij een sportmanifestatie en van Orban bij de opening van een groot scholencomplex. Hij heeft zijn publieke relaties alvast in orde.

Patriottisme

De volgende dag is het broeierig in Boedapest. Bezwete toeristen sjokken met hun afgepeigerde kinderen door de straten. Ik zoek de koelte op van het nationale museum. Hier is het moderne Hongaarse nationalisme zowat ontstaan. In de trappenhal hief dichter Sandor Petofi in 1848 zijn vrijheidslied aan, tegen de onderdrukking van de Oostenrijkse keizer die er toen de plak zwaaide. Persvrijheid, zelfbeschikking, religieuze vrijheid, gelijkheid, gerechtigheid en vaderlandsliefde: dat moesten de bouwstenen worden van het moderne Hongarije. De twee grote pijlers van het patriottisme waren burgerschap en de grootse Hongaarse geschiedenis. Hongarije controleerde immers ooit een immens rijk en leverde strijd tegen oprukkende Mongolen, Byzantijnen en Turken. Het was het schild van Europa. Burgerschap betekende dan weer dat de Hongaren zich moesten inspannen om hun eigen cultuur, industrie en gedachtegoed te ontwikkelen.

‘Dat liberaal patriottisme zag vrijheid als voorwaarde, maar het was toch vooral een oproep aan de Hongaren zelf om ambitieus, ondernemend en innovatief te zijn. Emancipatie was de sleutel. Dat leek goed te lukken. Na de revolutie van 1848 kregen wij geleidelijk aan meer vrijheid en vormde zich een kapitaalkrachtige burgerij die op haar beurt het pad effende voor beter onderwijs en een snelle industriële groei. Aan het begin van de twintigste eeuw was Boedapest de rijkste stad van de hele regio. Het was de tijd van Bela Bartok en Franz Liszt.’ Ik luister naar Andras Gero, een van ‘s lands prominentste historici. Gero spreekt met pretoogjes en steekt de ene sigaret na de andere op. Door een venster van zijn oude villa op de chique Gellértberg zie ik beneden de Donau glinsteren en de neogotische spitsen van het parlementsgebouw.

‘Maar dan kwamen de twee wereldoorlogen’, vervolgt Gero. ‘In 1919 raakten we een derde van ons grondgebied kwijt omdat we samen met de Oostenrijkers vochten. Door de economische vernieling daalde het inkomen per hoofd met een derde en was het gedaan met de burgerij. De Sovjets hebben haar de genadeslag gegeven. De opstand van 1956 werd hard neergeslagen en de decennia die daarop volgden, ontstond er een soort pact waarbij burgers economische zekerheid kregen in ruil voor het opgeven van hun politieke vrijheid. Mensen werden apolitiek en cynisch. Na de val van de Sovjet-Unie waren de meeste mensen niet geïnteresseerd in de vrijheden van de Europese Unie, maar wel in haar rijkdom. Even leek die welvaart er te komen. Na 2000 vertraagde de groei evenwel en volgde het ene corruptieschandaal na het andere. Desillusie ten aanzien van Europa, corruptie, wantrouwen en armoede: dat leidde tot de opkomst van Orban.’

Socioloog Janes Simon beaamt. ‘De civiele maatschappij is verdwenen. Zelfs na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werden burgers amper betrokken bij de transitie naar een vrij land.’ Mensen moeten toch inzien dat er risico’s aan de anti-Europese koers van Orban verbonden zijn, werp ik op. ‘We hebben nauwelijks een middenklasse of burgerij die het belang van de vrijheid inziet, maar een grote massa werkende armen die het hoofd boven water probeert te houden, weinig geschoold is en weinig tijd heeft om zich in te laten met politiek. Stabiliteit is voor hen het belangrijkste. Ouderen zijn nostalgisch naar de Sovjettijd en de volgende generaties willen vooral duidelijkheid. Jongeren zijn erg cynisch.’ Simon benadrukt ook dat het erg moeilijk is voor liberalen om succesvol te zijn. Een middenklasse opbouwen kost tijd en door de concurrentie met andere arme landen liggen de economische kansen niet voor het oprapen.

Boedapest suburbia

Het volstaat om het historische centrum even te verlaten om die realiteit door te laten dringen. Het kost me wat moeite, maar via via kan ik op de koffie bij een gezin in een van de buitenwijken. De periferie van Boedapest is een typisch suburbia van lage vrijstaande woningen met een haag, een schraal grasperk en een hek. Het gezin bestaat uit twee veertigers, een magazijnbediende en een politieman, een kind en een nerveus keffertje dat me de hele tijd maanzaadkoekjes aftroggelt. Het gesprek komt moeizaam op gang. De eerste vraag die ik krijg, is waarom Brussel zo boos is op Orban. Ik verwijs naar zijn aanval op de vrije pers, maar dat argument wordt niet enthousiast onthaald. ‘Wij hebben niet op Orban gestemd, maar het is niet goed dat ons land de les wordt gelezen’, zegt de man. ‘Jullie maken van Orban een martelaar. Mensen vinden zijn stoere houding sympathiek.’ Zijn echtgenote benadrukt dat het land rust nodig heeft: ‘We moeten ons concentreren op banen. We moeten het gezamenlijke belang vooropzetten.’ Maar wat dan met de corruptie? ‘Corruptie hoort bij de politiek. Is het in uw land beter? Zolang we van Hongarije maar geen bandietenstaat maken zoals Rusland.’ Ik raak niet veel wijzer uit het gesprek, maar op de terugweg stelt ook mijn taxichauffeur dat stabiliteit het belangrijkste is. ‘Om te kunnen bouwen is er eerst rust en orde nodig.’

Maar zorgt Orban wel voor stabiliteit en rust, vraag ik me af terwijl we door de doodse straten van de parkwijk laveren. Wordt stabiliteit gegarandeerd door de vrije media kapot te maken, door de bevolking op te zetten tegen minderheidsgroepen als de Roma? Is er sprake van opbouw als er minder wordt geïnvesteerd in onderwijs, in de opleiding van sterke burgers, zoals dichter Sandor Petofi bepleitte, en meer geld wordt gepompt in voetbalstadions? In brood en spelen? Is er sprake van opbouw wanneer de schoonzoon van de premier met een bedrijfje van niets voor tientallen miljoenen publieke contracten binnenrijft? Of als diezelfde premier een trein laat rijden naar zijn geboortestad waar bijna niemand woont en een flink stuk van zijn jeugdvrienden inmiddels oligarchen zijn? Wat voor zin heeft het om met de vuist naar Brussel te zwaaien als het land tezelfdertijd afhankelijk wordt gemaakt van leningen uit Rusland en China? Komt het heulen met autoritaire vrienden het land ten goede, of vooral de entourage van Orban? Buitenlandse bevoogding vervangen door binnenlandse belangenvermenging, is dat de definitie van Orbans patriottisme?

Groei

Ik ben te gast in het ministerie voor Nationale Economie, gehuisvest in een bijzonder imposant voormalig bankgebouw, gesticht begin twintigste eeuw door een steenrijke Joodse magnaat, wiens zoon, Georg Lukács, de grondlegger van het westerse marxisme werd. Ik wil een aantal beleidsmakers mijn veronderstelling voorleggen: Orban beoefent nationalisme voor de bühne, maar achter de schermen houdt hij uitverkoop. ‘Dat is niet correct’, klinkt het vermanend. ‘Sinds Orban aan de macht is, werd onze buitenlandse schuld net teruggedrongen. We betaalden versneld een lening aan het Internationaal Monetair Fonds (IMF) terug en moedigden de gezinnen aan om meer te sparen. We bogen een structureel tekort op de handelsbalans om in een surplus.’ De hoge ambtenaar met wie ik in gesprek ben, voegt nog belerend toe: ‘Kijk, ik ben geen fan van onze premier, maar jullie West-Europese landen kunnen op economisch vlak iets van ons leren.’

‘Ons grootste probleem is dat de investeringen elders uit de Europese Unie stilvallen’, vult een collega aan. ‘Wij voelen in dat opzicht nog steeds de gevolgen van de crisis. Wat we nu pogen, is opportuniteiten elders te zoeken. Ja, we zullen een lening van acht miljard bij Rusland aangaan om een kerncentrale te bouwen, en ja, we willen Chinees krediet om onze infrastructuur te verbeteren. Als dat Brussel niet zint, waarom komt het dan zelf niet met investeringen voor de dag? Dit is geen geopolitiek spelletje dat we spelen, dit is een economische noodzaak. En we boeken vooruitgang, het vertrouwen in de economie groeit.’

Als ik het ministerie verlaat, blijf ik achterdochtig. Het optimisme hier staat in contrast met wat ik in de buitenwijken van de stad aanvoelde. In mijn hotelkamer verdiep ik me in de cijfers en die lijken dat optimisme deels te bevestigen. Enerzijds is er sinds het aantreden van Orban een verbetering op het gebied van de financiën, de koopkracht en de productie in de maakindustrie. Anderzijds doet Hongarije het wat de meeste groei-indicatoren betreft minder goed dan buurlanden als Roemenië en Bulgarije. Het onderwijs en de gezondheidszorg zijn een puinhoop.

‘Je moet voorbij de waan van de dag kijken. Orban is niet meer dan een verpersoonlijking van een gevecht dat in heel Europa aan de gang is’, had Andras Gero me op het hart gedrukt. ‘Dit is het gevecht tussen hoop en angst. De economische heropleving brengt een klein beetje hoop op meer, maar dat is niet voldoende, waardoor angst en onzekerheid regeren. De mensen zien ook hoe de wereld verandert, wat er gebeurt in Oekraïne, in de Balkan en Turkije. De onzekerheid is gigantisch en ga je naar het platteland, is het nog erger. De mensen daar vinden Orban niet meer stoer genoeg en kiezen voor het nog extremere Jobbik. Je kunt boos zijn op de Hongaren, maar je bekijkt Hongarije het best als een achterbuurt. Af en toe moet je de mensen tot de orde roepen, maar het land heeft vooral toewijding en liefde nodig.’ (Volgende halte: Servië)

Screenshot 2020-11-18 at 10.30.49
Scroll Up