Jonathan Holslag On world order and disorder

Wordt Servië het Duitsland van de Balkan?

Screen Shot 2018-02-20 at 10.52.06In 2017 en 2018 reisde ik langsheen de Europese buitenrand: van Groenland tot Sint-Petersburg, van Sint-Petersburg tot Caïro en van Caïro tot Gibraltar. Mijn objectief was te evalueren waar we staan vijftien jaar nadat de Europese Unie haar eerste veiligheidsstrategie publiceerde. “Een veilig Europa in een betere wereld,” was toen de belofte. Wat is ervan gekomen? Mijn bevindingen rapporteerde ik aan de Europese leiders, maar voor Knack en Trouw mocht ik om de twee weken ook een uitgebreide reportage schrijven. Dit was de elfde aflevering.

BELGRADO – Ik verlaat Hongarije en spoor met een trage trein tot voor de poort tot de Balkan: een hoog concertinascherm bewaakt door drie Hongaarse soldaten. Aan de andere kant ligt Servië. De hekken ratelen open en de trein zet zich in beweging. In de grensstad Subotica is het kermis, maar er is geen volk buiten. Te warm. Douanebeambten strompelen bezweet door de trein. Mijn coupé is een stoomoven. “Verschrikkelijk,” zucht de conducteur schor, “De rails zijn uitgezet. We zullen naar Belgrado rijden aan halve snelheid.” Het noorden van Servië blijkt een strakgetrokken laken van maisvelden, afgewisseld met pruimenbomen, ontzettend veel pruimenbomen. Dorpen zijn schaars en de wegen zijn overwegend linten rul zand.

In de restauratiewagen is de voorraad mineraalwater uitverkocht. “Je kunt bier proberen,” grinnikt de kelner. Ik geraak aan de praat met Vladimir Radojkovic, een jonge Serviër die in Amerika studeert. “Let op met dit land,” waarschuwt hij als ik naar mijn coupé terugkeer, “De stabiliteit is bedrieglijk. De nieuwe president kun je niet vertrouwen. Hij heeft een duister verleden en tijdens de Joegoslavische Burgeroorlog was hij de propagandatsaar van Slobodan Milošević. Deze man heeft bloed aan zijn handen.” Het bloedbad dat Milošević in 1991 in gang zette, kostte het leven aan 140,000 mensen en joeg twee miljoen vluchtelingen naar Europa. Het was een tijd van genocide en verkrachtingskampen.

Servië is voorbestemd een leider in de Balkan te zijn. Het heeft het grootste potentieel voor landbouw, herbergt grondstoffen, telt op Griekenland na de meeste inwoners en is het raakvlak van de historische invloedssferen van de Oostenrijkers, de Russen en de Turken. In de negentiende eeuw leidde Servië de alliantie tegen de Turken en zat het voorop in de industrialisatie. In 1945 maakte Josip Tito van Servië het centrum van Joegoslavië. Broederschap en eenheid was zijn motto. Nu, decennia later, doet president Alexander Vucic een poging om het leiderschap te herstellen, niet door politieke eenmaking, zoals Tito, of door haatpolitiek, zoals Milošević, maar door samenwerking en bij voorkeur als lid van de Europese Unie. Heeft die vreedzame politiek kans op slagen, wil ik weten, of wordt Servië opnieuw de gesel van de regio?Serbia1

Samen groeien

De trage trein kruipt verder. De zonsondergang tovert het landschap amber. In de verte doemen de bergen van de Balkan op als een grijs kartellint. We naderen Novi Sad, waar een imposante brug over de Donau in aanbouw is. De duisternis valt. Zilverreigers zwermen boven de rietkraag. Een oude geitenhoeder trekt langs de spoorwegberm. Na negen uur sporen, licht eindelijk de hoofdstad op: Belgrado. Buiten de stad staan lange rijen wagons met containers van de Chinese reder COSCO, geladen in de Chinese containerterminal in Griekenland. Boven de stad schijnt een gigantische lichtreclame van Huawei, nog een bedrijf gesponsord door de Chinese staat. Het is nacht als ik versuft de trein uitstap – aan de verkeerde kant, zodat ik op de rails beland. De stad riekt naar urine en riool. Gepimpte Audi’s gieren door de straten.

Vroeg in de ochtend komt een adviseur van de pas ingehuldigde president me opzoeken. We nemen ontbijt op het terras van het Moskva Hotel. Het etablissement werd door het Russische Rijk aan Servië cadeau gedaan vlak voor de Eerste Wereldoorlog. “De banden met Rusland zijn nog steeds sterk,” wijs ik naar een groot reclamebord voor Russische treinen. “Sterker dan ooit,” grinnikt de man, “Misschien moet de Europese Unie ook een tandje bij steken.” Ik wil vernemen wat President Vucic bedoelt met groeien door te verbinden. Vorig jaar zag ik hem een klein gezelschap aanwezige zakenmensen inpakken met zijn belofte om van Servië de aantrekkelijkste investeringsmarkt van de Balkan te maken. Het wekte de indruk dat Servië net zoals Duitsland het oorlogstrauma probeert te verwerken door economische integratie. “Samen groeien,” zoals Helmut Kohl verwoordde.

“Servië kan niet groeien zonder vrede. We willen daarom één markt van twintig miljoen mensen worden: het oude Joegoslavië plus Albanië, maar deze keer zonder er één staat van te maken,” luidt het, “Er komen spoorlijnen van de Griekse haven Piraeus naar Boedapest, we willen een snelweg naar Albanië, bruggen die ons beter verbinden met Slovenië en Bosnië, we willen een regionaal elektriciteitsnetwerk en deel uitmaken van de Russische aardgasnetwerken. Het plan is op die manier de brug naar Midden- en Oost-Europa te worden, voor China vooral, maar bijvoorbeeld ook naar Turkije. We zullen vrijhandelszones oprichten voor nieuwe industrie en vrijhandelsverdragen afsluiten. We zullen concurreren, vooral met Kroatië, niet met haat, maar met ondernemerschap.” Een vijftal espresso’s later nemen we afscheid en peil ik bij drie Europese diplomaten naar hun mening. Vucic is onze beste kans op stabiliteit, klinkt het unisono.Serbia2

Dorkol

Als premier boekte Vucic positieve resultaten. Tussen 2012 en 2017 groeide de economie en kwamen er meer buitenlandse investeerders. “Maar tegen welke prijs,” werpt de pas afgestudeerde urbaniste Dragana Kostica op, “Kijk naar de Fiatfabriek: mensen werken er aan 300 euro per maand. Kijk naar het megalomane bouwproject van de Golfstaten aan het station: er is sprake van corruptie. De overheid zegt dat we geduldig moeten zijn, maar we zijn zeventien jaar bestolen van binnenuit.” Dragana troont me door de wijk Dorkol. Dorkol dankt zijn naam aan het Turkse woord Dortjol dat kruispunt betekent. Ooit vertrokken hier de handelswegen naar Istanboel, Wenen, Dubrovnik en Bulgarije. Vandaag is er weinig handel of groei te zien. Stukwerk bladert van de woonblokken en wegen zijn stuk gereden. Te midden van glasscherven en autokarkassen zie ik een vader met twee dochtertjes in een opblaaszwembadje spetteren, een metafoor bijna voor het alledaagse gevecht tegen de genadeloze armoede.

In Dorkol zit de helft van de inwoners zonder werk. Bojana Bosnjacki wil daar verandering in brengen. Op de Kapetan Misinia heeft zij met andere jongeren een garagehal omgevormd tot een plek om te ondernemen. Zelf runt ze een winkel in lokaal gemaakte kleren. Er zijn ook een koffiebranderij, een bakkerij en andere plekken. “Noem ons hipsters, maar de essentie is vooral dat we ons lot in eigen handen nemen. Ik wil jobs creëren en van Belgrado een verrassende plek maken. We kunnen de toekomst beter maken als mensen ervoor vechten.” Haar vriendin valt in: “Politiek heeft niemand nog vertrouwen. In 2000 kwamen onze ouders op straat om tegen Milošević te protesteren, maar de protestleiders werden gefinancierd door Amerika en leiden nu een rijk leven. We willen geen politieke huurlingen zijn. We willen van onderuit iets bewegen.”

Ik vind het prachtig, dat verhaal, maar vorig jaar trokken opnieuw 60,000 jonge mensen weg. De frustratie zit diep, zeker in wijken als Dorkol. “No war but class war,” werd er op een dichtgetimmerd gebouw geklad. Op andere gevels staan extreemrechtse Keltische kruisen. In Bar Kiki staren kaalgeschoren mannen met glazige ogen naar het voetbal. Beterschap is niet meteen in zicht en de economische resultaten van Vucic zijn fragiel. De buitenlandse schuld is ontploft en de maakindustrie slabakt. Buitenlandse investeerders kunnen Servië uitspelen tegen een handvol andere lagelonenlanden in de Balkan. De Russen investeren amper. De Chinezen, die zien Servië vooral als een transitland naar de Europese Unie, niet als een productieland.

Serbia3

Dictator

“Wat zal Vucic doen als de groei tegenvalt?” oppert Slavko Lazanski. “Vucic is een opportunist. Als hij zijn macht via een groeiproject kan realiseren, zal hij die kans grijpen. Lukt dat niet, dan zullen we opnieuw kennis maken met de politicus die ooit de propaganda van een dictator verzorgde.” Lazanski werd als journalist tweemaal opgepakt tijdens de periode van Slobodan Milošević en vreest een terugkeer naar nationalisme. Slavisa Lekic, één van Servië’s belangrijkste opiniemakers hekelt vooral het wantrouwen dat Vucic zaait tegenover de media. “Tijdens zijn inhuldigingsplechtigheid pakte een bende reporters hard aan. De president repte er met geen woord over en leden van zijn partij reageerden zelfs positief. We mogen ons niet langer in stilzwijgen hullen.”

Is het populisme van Vucic ook een bedreiging voor de vrede in de Balkan? Ik had de indruk dat de frustratie zich vooral keert tegen de politiek in brede zin. Dat lijkt bevestigd te worden door een peiling van Gallup begin 2017. Meer dan tachtig procent van de respondenten gaf aan dat het uiteenspatten van Joegoslavië slecht was voor hun land, maar slechts 1,5 procent stelde bereid te zijn te vechten als hun land bedreigd wordt. Of zoals Lazanski me op het hart had gedrukt: “Frustratie heeft vooral geleid tot gelatenheid en cynisme. De meeste mensen denken dat woede gewoon geen zin heeft. De stilte van de gewone burgers zorgt er echter voor dat een kleine ultrarechtse kern veel invloed heeft.”

Die rechtse kern nam het voortouw in de strijd voor het inlijven van Kosovo. Zij beschouwen Kosovo als een afvallige Servische provincie. In januari probeerden zij een conflict uit te lokken door een trein met Groot-Servische slogans naar Kosovo te laten rijden. De Kosovaren waren woedend en de Europese Unie moest druk zetten om de trein te stoppen. Vucic greep uiteindelijk in door te roepen dat de Kosovaarse Albanezen de spoorweg hadden ondermijnd en dat zij een groot conflict wilden uitlokken lokken. Een denktank rapporteert dat driekwart van de Serviërs tegen een oorlog met Kosovo is, maar met symboolacties als deze maken nationalisten het moeilijker voor de regering om de afscheuring van Kosovo te erkennen, hetgeen een voorwaarde is om de toetredingsonderhandelingen met de EU op te starten.Serbia4

Rode Ster

En laat het net hun bedoeling zijn dat laatste te verhinderen. Hoewel Vucic stelt dat de toekomst van Servië in Europa ligt, is het geduld van de meeste Serviërs met de EU op. Nationalisten willen dat hun land zich naar Rusland keert, een kans die Rusland op zijn beurt aangrijpt om de invloed in de regio te versterken. De Russische defensieminister Rogozin verwees recent opnieuw naar de Serven als “Balkanrussen”. Wij zijn, zo zei hij, gebonden door een eeuwig broederschap van de Orthodoxe kerk en Slaven. Rusland steunt Servië met de niet-erkenning van Kosovo, maar levert ook tanks die Servië moeten toelaten het militaire machtsevenwicht met het sneller groeiende Kroatië in hun voordeel te houden en heeft een zogenoemd “humanitair centrum” in de stad Nis, waarvan Europese diplomaten vermoeden dat het fungeert als inlichtingenhub.

De belangrijkste zet van de Russen is de steun aan voetbalclub Rode Ster Belgrado. Het logo van Gazprom bestrijkt de halve tribune en Poetin was hier om te supporteren. Dit is de nieuwe tempel van het Servische nationalisme. Tijdens mijn laatste ochtend in Belgrado dool ik rond het stadion. Op verschillende plekken zijn mannen met geweren geportretteerd, als iconen bijna. Bij sommige liggen verse bloemen. Dit zijn de martelaren van Belgrado, supporters die vochten in de Joegoslavië-oorlog. Ook vandaag werpen groepen breedgeschouderde supporters zich op als soldaten van Servië en het Orthodoxe broederschap. “Het lijkt er wel op dat hoe slechter de club presteert, hoe meer gekke ideeën hier binnendringen,” hoor ik van Kadin Sokolovic, “In de ochtend zitten veel mannen thuis voetbalspelletjes te spelen, ’s middags helpen ze een of andere smokkelaar in drugs of wapens verder en ‘s nachts werken ze als buitenwipper in een club. ’s Zondags branden ze kaarsjes in de kerk. Het zijn er maximum een paar duizenden, deze hooligans, maar ze zijn invloedrijk. Nationalisme geeft hier een alibi aan criminaliteit. In extremis worden jonge mannen gerekruteerd om te vechten in Oekraïne of in Bosnië. Dan noemen ze zich Kozakken.”

Ik ga in de lege tribune zitten. Een enkele man kalkt met een piepend wagentje de lijnen van het veld. Wat moet ik nu van dit land denken? De ambities van Vucic zijn enorm, maar de bevolking is niet overtuigd. Servië is oorlogsmoe, in de touwen geslagen. Op enkele moedige ondernemers na, is de bevolking vooral cynisch. Ze verwacht niet veel van de toekomst en trekt zich terug in groezelige buurten als Dorkol. De zwakte van de samenleving geeft vrij spel aan gangsters in voetbaltruitjes. Vucic is vooralsnog geen Milošević, maar de mannen die verantwoordelijk waren voor een flink deel van het bloedvergieten in de jaren negentig, die zijn er nog steeds, klaar om front te vormen met hun Servische broeders in Bosnië, Kroatië en Kosovo. Tijdens mijn volgende etappe trek ik naar die plekken om te onderzoeken hoe vatbaar zij zijn voor nieuw geweld. (Naar volgende reportage: Bosnië)

 

Gepubliceerd in Knack en Trouw.

Leave a Reply