Jonathan Holslag On world order and disorder

Wat er écht mis is met het handelsverdrag met Canada

Stel, u gaat morgen naar de winkel om aardappelen te kopen. Daar liggen ze, minstens een tiental soorten, keurig verpakt in kleurrijk plastieken zakjes met prijzen tussen de 1.5 en 4 euro per kilo. Eén zakje valt meteen op: mooie, zacht glanzende, rode aardappelen aan twee euro per kilo. Koopje! Althans zo lijkt het, want de aardappelen kosten eigenlijk veel meer, alleen is dat helemaal niet duidelijk als we voorbij de winkelrekken struinen. Ze werden immers verbouwd aan de andere kant van de aarde: in Canada. Het transport met vrachtwagens en schepen berokkent schade aan het milieu, aan onze wegen en aan onze gezondheid: een prijs die waarschijnlijk hoger is dan de paar euro die we aan de kassa betalen.

Dat brengt me meteen bij de essentie in het debat over het CETA-vrijhandelsverdrag met Canada, waar zoveel over te doen is. Waar het om zou moeten draaien in die discussie is niet het gebrek aan inspraak, want de Europese Commissie had bij de onderhandelingen de zegen van de democratisch verkozen regeringen. De houding van de Waalse regering is daarom nogal misplaatst. Waar het ook niet meteen om gaat in dit verdrag is dat de soevereiniteit van Europese landen wordt uitgehold door de mogelijkheid voor bedrijven om overheden voor een arbitragetribunaal te dagen. Dit verdrag maakt immers duidelijk dat overheden het recht behouden om de spelregels te bepalen, zo lang ze niet discriminerend zijn (1). Die twee punten die vandaag het vaakst worden aangekaart zijn naar mijn mening dus niet zo belangrijk in het geval van CETA.

De kwestie is vooral dat het verdrag helemaal niet leidt tot vrije handel. Je kunt eigenlijk pas over vrije handel spreken als die zo transparant is dat consumenten in zowel Canada als Europa duidelijk kunnen inschatten hoe bijvoorbeeld een ingevoerd product hun positie beïnvloedt. Dat is nu niet het geval. De prijs op het product, die is zeer duidelijk, maar het hele systeem daarachter is dat niet. We nemen vaak zomaar aan dat handel leidt tot meer efficiëntie, maar we vergeten daarbij al de verdoken kosten, de inefficiëntie van de eindeloos lange distributienetwerken, de bergen verpakkingsafval en de energieverslindende koelhuizen in rekening te brengen. Er kan dus eigenlijk pas sprake zijn van een vrijhandelsakkoord als er ook een akkoord is over hoe die verdoken kosten worden vertaald in de prijs die wij in de winkel betalen.

Het gebrek aan transparantie blijft niet beperkt tot de verdoken kosten. Deze globalisering confronteert ons ook nauwelijks met de omstandigheden waarin producten elders ter wereld geproduceerd worden. Nu is dat in Canada meestal niet zo’n probleem, maar we hebben tal van handelsverdragen met landen waarin er erg gevaarlijke arbeidsomstandigheden zijn. De invoerders doen er alles aan om dat te verdoezelen. We zien het merk, maar niet de moderne slavenarbeid die achter het merk steekt, of het verdwijnen van onze industrie als gevolg van die sociale dumping. Die dumping is overigens nét zozeer het resultaat van onze eigen hang naar goedkoop als van de multinationals die landen tegen elkaar uitspelen.

De Europese Commissie maakt zich sterk dat onze handelsverdragen tal van regels inzake milieu en arbeidsomstandigheden vervat. Dat is ook zo, maar die regels zijn minder concreet en afdwingbaar dan de bepalingen over bijvoorbeeld invoerheffingen en patenten. Met andere woorden: de huidige handelsverdragen zijn nog veel te eenzijdig om door te gaan als échte vrijhandelsverdragen, verdragen dus waarin de markt zo transparant is dat we als consument kritisch kunnen bepalen hoe onze aankopen onze economie beïnvloeden. Het is overigens in die geest van rationeel optimisme dat de hele liberale economische school en de vrijhandelsgedachte twee eeuwen geleden opgang maakte. Zoals Adam Smith in zijn Theory of Moral Sentiments stelde: mensen moeten voor hun keuzes de impact op hun eigenbelang kunnen bepalen.

Hoewel Canada een van de fatsoenlijkste landen is waarmee je een verdrag zou kunnen onderhandelen, blijft het CETA-verdrag problematisch. Ook liberalen zouden dat vanuit hun eigen ideologie moeten inzien en mee streven naar échte, eerlijke en transparante vrijhandel. Zolang dit uitblijft, zullen de voorvechters van een open wereld het onderspit blijven delven tegen populisten als Donald Trump. Hoewel het protectionisme dat zij bepleiten geen goede oplossing is, leggen zij wel degelijk de vinger op de wonde: deze vorm van globalisering heeft teveel gebreken, schaadt vaak onze belangen en heeft al lang niets meer te maken met een efficiënte werking van de markt.

(1) Het akkoord zegt immers het volgende: “In   particular,   non-discriminatory   measures  of  general  application  taken  for  legitimate public objectives, for example in the areas of labo ur, health or environment, cannot  be  considered  equivalent  to  expropriation,  unless  they  are  so  manifestly  excessive  in  light  of  their objective that they take away the investor’s property.”

Leave a Reply