Jonathan Holslag On world order and disorder

Primeur: Vlaanderen 2055

Bestel hier.

Op deze pagina vind je een voorproef van mijn nieuwe essay, VLAANDEREN 2055. Die komt volgende week uit, maar het leek me goed om alvast de lezers van mijn blog alvast een kleine primeur te geven. Het opzet van het essay is voor een stuk verder te bouwen op de Kracht van Het Paradijs. Dat boek stond vooral stil bij de uitdagingen en helaas zijn de meeste voorspellingen intussen bewaarheid geworden: onze omgeving is onveiliger geworden en Europa nog meer verdeeld.

In zo’n situatie neigen mensen erg defensief en conservatief te worden. Dat is op zich begrijpelijk en het blijft uiteraard erg belangrijk om ons te verdedigen tegen de steeds veelvuldiger uitwassen van onze turbulente wereld. Maar als de geschiedenis ons één zaak leert, dan is het dat je geen sterke verdediging kan bouwen rond een zwakke samenleving. De voorwaarde om te overleven in deze roerige tijden, is onzekerheid om te buigen in een ambitieus toekomstproject, een project dat streeft naar een veilige, hechte en rechtvaardige samenleving.

Nét op deze momenten zouden we dus moeten blijven geloven in vooruitgang. Het lijkt me een dom antwoord op de crisis om mensen onder druk te zetten om harder te werken en andere offers te brengen, zonder dat we ons zelf een idee kunnen vormen waar we naartoe willen. Dat laatste blijft natuurlijk altijd een uitdaging. Het is immers gemakkelijker om met een politiek van polarisatie concrete vijandsbeelden aan te wijzen in de huidige samenleving dan mensen te overtuigen van een optimistisch, doch haalbaar toekomstbeeld.

VLAANDEREN 2055 probeert nét dat te doen: een positief toekomstbeeld naar voren te schuiven en er een realistisch pad  naartoe uit te stippelen. In het eerste deel probeer ik dat toekomstbeeld erg tastbaar te maken en je uit te nodigen om als hoofdpersonage door het Vlaanderen van 2055 te wandelen. De daaropvolgend hoofdstukken gaan telkens in op strategie en praktische keuzes. Het was mijn doel een toegankelijk essay te schrijven, een maatschappelijk essay met de leesbaarheid van een kookboek als het ware. Het is een denkoefening zonder academische pretentie, maar met de hoop om alvast een alternatief te bieden voor de nodeloze links-rechts polarisatie onze samenleving, een vooruitstrevend antwoord op de overheersende afbraakpolitiek.

 

I

2055

U staat op de drempel van uw voordeur en leunt naar buiten. Wat ziet u? U wandelt door het centrum van uw stad, wijk of dorp. Wat valt er op? Zijn het gebouwen, reclameborden, parkeerplaatsen, bestelwagens, stoplichten? Stel nu dat u die straten mag hertekenen, dat u uw woonplaats mag omvormen tot een droomplaats, hoe zou die er uitzien?
Hoe verbeeldt u zich die plek voor uw oude dag, als een thuis voor uw kinderen, of de kinderen van uw dierbaren, en een plaats voor hun kinderen – misschien uw kleinkinderen? Neen, uw ogen horen nu niet sluiks naar de volgende alinea te glijden. Sluit ze en geef uw verbeelding vrij spel… Ziet u de huizen, de straten? De mensen in de straten, wat stralen zij uit? Praten zij met elkaar? Hoe brengen zij hun tijd door? Doen ze wel eens een terras?

Bevreemdend, niet, zo uitgenodigd te worden om te dromen? Maar hoe kunnen we vooruitgang beoordelen als we ons geen betere toekomst kunnen verbeelden? Hoe kunnen we dan bepalen waar we het beste onze tijd in investeren, onze arbeid, onze spaarcenten, of onze schaarse ruimte? We reageren en we panikeren, maar écht vooruitdenken doen we weinig.

Ik ben er zeker van dat u die stuurloosheid erkent. Het maakt u samen met vele anderen zenuwachtig. Ja, we werken hard en we proberen te sparen… en toch wordt het steeds moeilijker. We bezuinigen en toch zet het economische herstel niet door. We hebben een massa politici, ambtenaren en proffen die over dat alles kunnen nadenken, maar ook zij lijken niet in staat om ons naar voorspoed te gidsen. Als er al vooruitgang is, technologisch of economisch, dan is het overigens vaak de vraag of die nog wel op mensenmaat is geschoeid. Onze leefwereld lijkt minder en minder op de droomplaats die we zojuist zagen verschijnen. Zij wordt jachtiger en grimmiger.

* * *

Echte vooruitgang is het vermogen om mensen meer mens te laten zijn, om meer van onze behoeften te bevredigen, meer van onze talenten te ontwikkelen en onze veelzijdigheid beter tot uiting te laten komen. Dat is het vertrekpunt. Leiderschap behelst dan de vaardigheid om de weg uit te stippelen van de moeilijke situatie vandaag naar een betere toekomst.

Het betreft een combinatie van machtspolitiek en waarden, van realisme en idealisme. De wereld zal blijven draaien om macht, maar macht draait op zijn beurt steevast om ambities en idealen. In mijn boek over Europa deed ik al een aanzet. Dit essay verwoordt op een bijna tastbare wijze hoe een kleine regio als Vlaanderen mee de bakermat kan worden van een Europese samenleving die competitiever, duurzamer en mooier is. Lokaal denken met Europese en zelfs wereldwijde weerklank: daar gaat het om.

Het is dus geen pleidooi voor meer of minder Vlaanderen, het is een pleidooi om bestaande bevoegdheden beter te gebruiken, om mee met de andere regio’s de handen aan de ploeg te slaan, om door eendracht in België en Europa onze macht doelbewust aan te wenden. Een progressieve agenda is wellicht het sterkste bindmiddel tussen Europese steden, tussen regio’s en tussen landen. Veel van wat ik in dit essay beschrijf zou dus ook van toepassing kunnen zijn op andere regio’s. Maar we moeten ons dus wel eerst kunnen voorstellen wat dat kan betekenen, vooruitgang.

* * *

Mijn verhaal, mijn gedachteoefening, heeft enkel kans van slagen als u het hoofdpersonage wordt. Als u aan het eind van het boek onder de indruk bent van de expeditie, laten we dan afspreken dat u het cadeau geeft aan een aantal mensen die u dierbaar zijn, zodat zij die ervaring kunnen delen. Als we ons met velen een verhaal eigen maken, dan moet het mogelijk zijn om een deel van dat verhaal te realiseren..

Het is belangrijk te beseffen dat u wel degelijk een verschil maakt. Als modale Vlaming staat u nog steeds boven aan de voedselpiramide. Uw gemiddelde levensverwachting is tachtig jaar en uw economische gewicht gedurende die periode – hetgeen u consumeert en investeert – bedraagt gemiddeld 2,7 miljoen euro. Niet slecht. Natuurlijk is dit meer dan uw nettoloon opgeteld, want u draagt af en geeft dus op talrijke manieren onrechtstreeks mee vorm aan onze samenleving.

Als burger laat u duidelijke sporen na. Kijken we alleen al naar het meest tastbare: het huis dat u bouwt of koopt bijvoorbeeld is goed voor gemiddeld vierhonderd kubieke meter aan onverzettelijk beton, bakstenen en staal – in een stijl die misschien gesmaakt wordt door de volgende generaties, misschien ook niet. U heeft minstens een tweede huis, want om in uw behoeften te voorzien neemt u onrechtstreeks een aandeel in bedrijfsgebouwen, winkels en kantoren dat nog eens anderhalf keer zo omvangrijk is als uw eigen woning.

Gedurende uw leven stookt u vierhonderd kubieke meter op aan brandstof voor uw huis, voor uw wagen, en voor de productie van de goederen en diensten die u koopt. Ongeveer de helft van dat volume verteert u gedurende uw leven aan landbouwgewassen. Nog eens de helft van dat volume, dus tweehonderd kubieke meter, verbruikt u aan allerlei soorten plastic. Ruim honderd keer dat volume, namelijk 40.000 kubieke meter, verbruikt u aan water.

Gedurende uw leven legt u in Vlaanderen beslag op ongeveer vijf vrachtwagens en rijdt u zelf vier wagens op. Stapel al die volumes op elkaar, dan neemt dat gemakkelijk de proporties aan van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. U houdt tijdens uw leven vlot een voltijdse werknemer aan het werk in eigen land en heeft drie Chinezen of andere goedkope arbeiders nodig om uw T-shirts, elektronica of ander huisraad ineen te steken. Beweert u nog eens dat uw voorkeuren géén verschil maken.

Uw leven is een kathedraal. Nu dan, kunt u, zoals de middeleeuwse kathedralenbouwers verwachtten dat zij dankzij hun bouwwerken dichter bij de hemel zouden komen, besluiten dat uw kathedraal u dichter bij de droomplaats brengt die u zich zojuist verbeeldde, u dichter bij het geluk brengt? ‘Ha!’ zal nu ongetwijfeld een aantal lezers roepen, ‘wat geluk is, dat bepaalt toch iedereen zelf, daar heb je toch geen droomplaats voor nodig!’

Stel dat ik het u opnieuw zou vragen, zo rond uw zeventigste, het moment waarop de meeste mensen de balans opmaken. Dan blijkt dat op die leeftijd aanzienlijk wat mensen spijt hebben over zaken die zij in hun jachtig jonger bestaan niet zozeer in twijfel trokken. Dat is wijsheid achteraf, inderdaad, maar eigenlijk zijn er al vroeger aanwijzingen dat mensen die zichzelf gelukkig prijzen niet echt gelukkig zijn.

Als we onze hele samenleving evalueren op een schaal 1 tot 10, gaande van extreem ongelukkig tot extreem gelukkig, dan scoren we een 7. Dat is althans op basis van de algemene vraag ‘hoe gelukkig bent u?’. Specificeren we die vraag bijvoorbeeld naar ‘hoe vaak was u gelukkig de voorbije week’, dan worden we al bescheidener en eindigen we op een 6. Op de vraag of mensen ons met respect behandelen scoren we een 7, op de vraag of wat we doen echt waardevol is 5, op de vraag of we voldoening halen uit wat we doen een 4, en op de vraag of we optimistisch zijn over de toekomst… een 3.

Wat bepaalt geluk? Er bestaat een duidelijk positief verband tussen geluk en de tevredenheid over het inkomen. Maar bijna even groot is de samenhang met de gezondheid, het gevoel dat het leven zin heeft en de tevredenheid over het werk. Daarna volgen meteen zaken zoals interesse in wat we doen, de mogelijkheid om werk zelf te organiseren, de genoegdoening uit werk en een goed evenwicht tussen werk en vrije tijd. Een heel groot stuk van ons geluk hangt dus af van de omgeving en van waarden die dagelijkse economische overwegingen overstijgen. Geluk lijkt vooral bepaald te worden door ons vermogen om tegemoet te komen aan een onderhuids verlangen om ons als mens zo volledig mogelijk te ontplooien. Daarvoor hebben we de anderen nodig.

* * *

We keren nu definitief naar onze droomplaats terug. Beeldt u zich in dat u nog zou leven in 2055, veertig jaar verder, dus. U staart op een zomeravond voor u uit, de blik helder, de zachte palm van uw partner in de ene hand, een fris glas in de andere. De rest van de kleine tuin wordt na school het jachtterrein van ridders en jonkvrouwen. U houdt een oogje in het zeil en de schoonzoon bakt de frieten. Huizen zijn als een tak met meerdere nesten. In het uwe worden de dagen langer. Ze worden gevuld met muziek, een boek, kaart en lange siësta’s. De verpleegster komt af en toe langs voor de pilletjes en de stramme spieren. Toch verplegen wij ouderlingen vooral onszelf met werk in de gezamenlijke groentetuin, naaiwerk, uitgelaten middagtafels, sport, een uitstap en een sporadisch ziekenbezoek. De gilde van het kaatsbal boert goed.

De ochtenden beginnen met een ritueel van smaak. U trekt dan naar het marktplein om de familie van dagvers brood, charcuterie, aardbeien en koffie te voorzien. Het is prettig dwalen in de straten van deze stad. Uit de open vensters klinken Brel en Bach. Onderweg mijmert u over hoe wij jaren geleden, nog scherp van geest, het angstbeeld bezwoeren van megasterfhuizen, gerund door beursgenoteerde zorgverstrekkers uit Amerika, met zenuwachtige robots in de eetzaal en een oplaadbare chihuahua op schoot, of hoe we verhinderden dat hetzelfde grootkapitaal onze kinderen volledig zouden onderwerpen tot weke, hersenloze verbruikers. Neen, in ons kleine stukje Europa werden wij niet bedreigd met het uitsterven van de mensheid, maar met het langzaam uitdoven van de mensheid. Onze vijand lag niet op de loer in een of andere loopgraaf, onze vijand zat vooral in onze eigen hoofden. We waren namelijk vergeten dat wij zelf de maatstaf van de vooruitgang zijn.

Op een doordeweekse dag, zo rondom zevenen, neemt u rustig het ontbijt, met dierbaren aan een grote tafel of alleen, heeft u de tijd om bij de bakker een brood te kopen of een verkwikkende kop koffie te brouwen uit versgemalen bonen. Zo gaat dat in 2055. Beeldt u zich de tafel in: gedekt met Vlaams linnen, een schaal buikige kersen, een dag eerder geplukt van een boom in een park, frambozen van eigen kweek, keurige kazen van een van de kaasmakers uit de omgeving en chocopasta met échte chocolade. Voor ons, grijsaards, zal dat ontbijt langzaam overvloeien in de dag; ouders maken het lunchpakket voor hun kinderen en wandelen of fietsen daarna via de school naar hun werk.

Op het werk hebben pauzes allure. De baas zorgt voor sap van de boomgaard. Een glimmend koffietoestel wordt met overgave bediend door de dame die ook instaat voor verse soep tijdens de middag – de bakker levert kraakvers van zijn speciale ‘late bak’. In de bedrijven is de lunchhoek de aangenaamste plaats met grote vensters die uitgeven op parken, pleinen, velden, en straten. Er wordt gepraat over de voormiddag, nieuwe orders, nieuwe machines en de laatste software-updates. Daarna volgt een hazenslaap, een wandeling, of sport.

Zo rondom vijven, op de terugweg naar huis, passeert u de avondmarkt, die voor een stuk in een centraal gebouw en voor een stuk onder statige arcades is ondergebracht. Groepjes producenten bieden er zélf hun waar aan en kunnen u dus ook haarfijn uitleggen welke tomaten vandaag het beste smaken, welk stukje van het varken u deze avond het beste aanbraadt en welke kaas erbij past als nagerecht. Elke stad, elke stadswijk heeft zijn eigen tempel van de smaak: minder plastic, meer sensatie!

Het grootste deel van het aanbod wordt aangevoerd uit de onmiddellijke omgeving; maar het lokale gamma wordt verrijkt met het beste wat de wereld te bieden heeft. Een sneltreinnetwerk voert granaatappels uit de vredige boomgaarden van Syrië aan, gisteren pas geoogst, citroenen van de Amalfikust en de honingzoete Negronnevijgen uit Frankrijk. Elke markt smaakt anders en elk seizoen smaakt anders. De markt waaiert uit in straten met fijne bistro’s, voor wie het koken graag een avond overslaat. ’s Zomers wordt er gebarbecued op de pleinen. Koken is een verplicht vak op school. Er is geen slimme telefoon nodig om te ‘ruiken’ of de vis vers is.

* * *

Winkels zijn er voor de rest niet veel. In plaats daarvan zijn er stadsateliers gekomen, waar niet alleen verkocht wordt, maar ook echt waarde wordt toegevoegd aan wat we kopen. Met de terugkeer van de ateliers naar de steden is ook het leven naar de steden teruggekeerd. Het is gedaan met de doodse straten die wachten op de terugkeer van de massa’s uitgebluste pendelaars. Een fijn vertakt netwerk van producenten zorgt ervoor dat de meerderheid van de inwoners aan de slag blijft in de stad of stadswijken zelf. Daardoor is er tijd om ’s middags een glas te drinken en ’s avonds te blijven hangen in een bistro.

Sommige ateliers specialiseren zich in diensten, net zoals vroeger: kappers, wasserijen, kinesisten, enzovoort. Maar er zijn ook ateliers met groepjes hypergespecialiseerde ingenieurs, onderzoekers en ontwerpers, die dankzij het net hun diensten over de hele wereld aanbieden. Het zijn Google-campussen op zakdoekformaat, maar dan zonder kunstgras en retrokussens om de schijn op te houden van een werkplek thuis. Dit is écht thuiswerken. In deze stad vloeien werken en wonen in elkaar over.

Hoewel er grote bedrijven in de stadsrand zijn, heeft een aanzienlijk deel van de maakindustrie zijn weg terug naar de stad gevonden. De economische revolutie heeft er immers voor gezorgd dat de groeilanden voor zichzelf zijn beginnen produceren en dat de eindeloze vrachtwagenstromen op onze wegen verdwenen zijn. Mensen vinden het ook prettig om dingen te maken, tastbaar te scheppen, creatief te zijn, als vakman of -vrouw gewaardeerd te worden en bij te kunnen dragen aan een mooiere stad.

Vakmannen en -vrouwen in het jaar 2055 combineren de onvervangbare sensitiviteit van hun eigen handen, de onevenaarbare verbeelding van het menselijke brein met investeringen in hoogtechnologische werktuigen en 3D-simulaties. Zeepmakers, meubelmakers, kleermakers, schoenmakers… allen worden zij gedreven door de zichtbare waardering van de klant, door de glimlach van een meisje dat paradeert in een knappe jas van eigen makelij, door een heer in een paar opgeglansde schoenen dat goed zit… Het geluk van de maker wordt het geluk van de koper – en omgekeerd.

Uw uitgaven verspreiden zich daardoor ook opnieuw van een aantal megabedrijven naar de massa, de economie wordt democratischer, waardoor luxe, duurzaamheid én schoonheid effectief voor iedereen bereikbaar zijn. Duurzaamheid maakt ook dat onze aankopen langer meegaan. Als we ervan af willen, kunnen we ze voor een goede prijs doorverkopen, net zoals we dat vandaag doen met een oude grenen linnenkast, een strakke Scandinavische designtafel, degelijke kinderkleren of een goede geluidsversterker.

Grondstoffen worden naar waarde geschat. We verbeterden onze levenskwaliteit, zonder afhankelijker te worden van de oude grondstoffenverslindende industrie die landen als China en India overeind hielden door op hun beurt grondstoffen voor een habbekrats te ontfutselen aan de nog armere landen in Afrika. In de plaats daarvan hebben we een kringloopeconomie opgebouwd. Het containerpark is een onuitputtelijke bron van grondstoffen, waardoor we bijna zelfvoorzienend zijn en de groeilanden hun eigen grondstoffen verstandig kunnen inzetten waar zij het hardst nodig zijn. Alles wordt nu ontworpen zodat we ze gemakkelijk kunnen herstellen en onderdelen kunnen worden hergebruikt.

Ruim de helft van de goederen die we kopen wordt in onze eigen stad of haar nabije omgeving gemaakt en daarmee hebben uw aankopen een erg zichtbare impact op anderen, uw buren, vrienden, kinderen en kleinkinderen. En zullen anderen waarschijnlijk een even zichtbare invloed hebben gehad op uzelf. Het bespoedigt positieve wederkerigheid. We worden dus allen aandeelhouder van onze lokale economie en geld wordt opnieuw hersteld in zijn zo belangrijke rol: het mogelijk maken van transacties van kwaliteit, smaak, schoonheid en geluk.

* * *

Een groot deel van uw vermogen beïnvloedt deze plek nog op een andere manier: door de aankoop van een woning. Een woning is een investering in veiligheid, comfort, rust en geborgenheid. Een woning is nog steeds de krachtigste uiting van onze smaak. Een woning is ook een vertrouwde manier om welvaart over te dragen aan het nageslacht. Maar het resultaat moet voor het nageslacht ook mooiere steden opleveren en een aantrekkelijke ruimte er rondom.
Het conflict tussen de schaarse groene landschappen en gebouwen werkten we weg door te verdichten. We gingen dus voor een stuk de hoogte in, minstens vijf hoog, zoals een Amsterdams grachtenhuis. Bebouwing wisselen we af met kleine pleinen, de overgang tussen de bebouwing en de open ruimte verzachten we door veel groen, weelderige boomkruinen, struiken, bloemenvelden.

De spanning tussen de drang naar verscheidenheid en het verlangen naar harmonische steden, en een zekere eenvormigheid, beheersten we door een aantal eenvoudige regels op het gebied van afmetingen, kleuren en materialen. Bouwmaterialen betrekken we zo veel mogelijk uit de buurt: van lokale grondstoffen en lokale producenten.

Het resultaat mag er zijn! Een zekere eenvormigheid, maar toch onvoorspelbaar, want er zijn veel minder megalomane projecten van makelaars, er is een combinatie van frivole rijen gevels en grotere bedrijfsgebouwen. Juist omdat we vooral plaatselijke bouwmaterialen gebruiken, verkrijgt elke stad een eigen uitstraling en een grote aantrekkingskracht op mensen van elders, die onze steden graag willen ontdekken. De stad wordt dan niet alleen dankzij de winkels het uitstalraam van de omgeving, maar ook door de panden waarin de winkels gehuisvest zijn. Gepland, maar toch erg spontaan. Zo’n stad wordt een bestemming, net zoals andere steden ook meer de moeite worden om te ontdekken.

Deze stad ademt cultuur uit, verfijning, vakmanschap, creativiteit, levensvreugde en verbeelding. Cultuur straalt af van de gebouwen, wordt tastbaar in de ateliers en geurt doorheen de markthallen. Zij prikkelt onze jongeren in de scholen, wordt gevierd in bibliotheken en trekt de aandacht op de talrijke podia. Cultuur maakt deel uit van het leven en wordt spannend gehouden door de onvermijdelijke onvolmaaktheid van de stad, de rauwheid, de spanning, de groei en het verval.

* * *

De stad in het jaar 2055 brengt ook meteen een heel andere benadering van mobiliteit met zich mee. De jongeren in onze droomplaats hebben amper tien minuten nodig om zich naar het werk of de school te verplaatsen. Dat doen ze te voet of met de fiets. Wat een verschil met vroeger, toen wij vlot een uur en zelfs twee uur kwijt waren voor een jachtige baan in de hoofdstad! We spenderen in vergelijking ook veel minder. Jazeker, we rijden nog met de wagen, zelfs nog met een benzinewagen, want wat is er nu leuker dan zelf flink optrekken en het gebrul van een echte motor! We kunnen zelfs kiezen met welke wagen we rijden – Porsche, Jaguar, Minerva – of ons laten rijden in stijl, want we zijn allen vennoot van een van de automobielclubs waar we voor de helft van een maandloon én bewezen behendigheid een jaar lang kunnen kiezen. In die clubs wordt er met passie geboend aan de laatste aanwinst, gesleuteld aan oldtimers, gebouwd aan heel nieuwe types.

Straten zijn bijna volledig autovrij en dat heeft een enorme impact op het uitzicht. Er is meer plaats voor groen, elegant geklinkerde pleinen, waterpartijen. Spelen op straat en feesten op het voetpad: het kan. De steden zijn onderling verbonden door een Europees spoorwegennet. Geen pendelaars die als afgepeigerd vee het perron op draven om zich daarna in vieze treinen te persen: iedereen reist eersteklas. Er wordt nog steeds gependeld, maar het aantal pendelaars is beperkt. Er zijn ook nog snelwegen, maar maximaal vier baanvakken. Door de lokale productie is het vrachtverkeer geslonken en bedient het vooral gespecialiseerde bedrijven in de stadsrand.

Minstens even interessant als de snelle wegen is het fijne netwerk van trage wegen. Door de verdichting in de steden is de ruimte tussen de steden een vrijetijdsparadijs. Onaantrekkelijke gebouwen langs onaantrekkelijke wegen hebben geleidelijk plaatsgemaakt voor groen. Er worden nog steeds nieuwe partijen bomen en bos aangeplant. De keuze voor de nieuwe middelgrote steden was voor de jongere generatie ook snel gemaakt. Van zodra we die stadsrand verlaten, voeren trage wegen ons naar weidse landschappen, akkers met houtkanten, holle wegen, weilanden met poelen en boomgaarden met picknickplaatsen.

Dat open landschap is geen doods landschap: er wordt geboerd, gewielrend, gehengeld, gewandeld, gespeeld. Elke stadsbewoner kan binnen de tien minuten dagenlang in uitgestrekt groen vertoeven, langs de trage wegen andere steden ontdekken, op zoek gaan naar culinaire schatten, verscholen brouwerijen, kleine herbergen waar men een snipje kan eten – er zijn er toch opnieuw genoeg. Er wordt gezwommen in vijvers en gepeddeld in rivieren. Onze omgeving is een grote parkstad, een beetje een pretpark ook, en dit in de dichtstbevolkte hoek van Europa. Het wil helemaal niet zeggen dat we tuinkabouters zijn geworden. We zijn wellicht veel meer stadsbewoners dan vroeger.

De grote steden als Brussel, Antwerpen en Gent zijn populaire weekendbestemmingen. Ze zijn minder snel gegroeid omdat de economie tijdens de voorbije decennia opnieuw uitwaaierde naar kleinere steden. Mensen hadden genoeg van de anonieme kantoorgebouwen en doorbraken hebben ervoor gezorgd dat we opnieuw tijd kunnen besteden aan activiteiten die echt van belang zijn. Grote steden bestaan uit meerdere stadswijken, die op bijna dezelfde manier functioneren als kleine steden. Op hun raakpunten vinden we drukke zakenwijken, bestuurscentra, historische kernen, operahuizen en universiteiten. Naar de buitenwereld toe bieden die steden een venster op al het goede dat ons land te bieden heeft en de drempel waarlangs toeristen van over de hele wereld onze kleinere plaatsen exploreren. Een stad is immers geen eiland maar een knooppunt.

We houden er een eenvoudige filosofie op na: we willen evenveel schoonheid scheppen als de schoonheid waarvan we elders willen genieten. Hoe meer schoonheid er bij kwam, in de steden en daarbuiten, hoe minder we ons hoefden te ergeren aan het massatoerisme dat zich steeds meer concentreerde op de schaarse plaatsen waar er nog fascinerende stadsgezichten of ongerepte natuur te vinden was.

Een verre reis buiten Europa begint op de luchthaven. We vliegen minder maar beter. We reizen graag, maar we zijn even gelukkig thuis, ook in de lange wintermaanden, want die brengen we graag door in onze feesthallen, overdekte speeltuinen, danszalen, in herbergen op het platte land, in kroegen, thuis bij het vuur, of struinend onder galerijen die na eeuwen zijn teruggekeerd om stadswandelingen aangenaam te houden ongeacht de grillen van de seizoenen. Zuiderlingen komen er graag mee kennismaken, met die winterse geborgenheid.

* * *

Net als reizen gaat het ook bij handel om de wereldwijde uitwisseling van zaken die een plaats uniek maken. We maakten een einde aan de eindeloze stromen containers en kapitaal die er vooral op gericht zijn de zwaktes van landen uit te spelen, zoals de armoede van de bevolking, de belastingvoordelen door de radeloosheid van overheden of de onverschilligheid van rijke consumenten. Onze zeehavens zijn opnieuw pakhuizen van kwaliteit geworden. De globalisering doet waarvoor ze bedoeld is: ze verspreidt kwaliteit.

Omdat we ons thuis geborgen en veilig voelen, kunnen we de rest van de wereld met zelfvertrouwen tegemoet treden. Even stonden we op het punt onszelf kapot te polariseren. Een nieuwe generatie vooruitstrevende politici wist Europa met een overtuigend verhaal nog op tijd te behoeden voor een complete ontrafeling. Dat verhaal liet ons ook toe om onze samenleving te versterken als een waardengemeenschap. De gezamenlijke doelen werden op scherp gesteld en daarbij deed de afkomst er steeds minder toe. Ongeveer dertig procent van de Vlamingen is nu afkomstig van elders. En zo is het goed.

In onze samenleving anno 2055 wordt luxe het nieuwe normaal. Aangezien wij allen mee investeerden in die vooruitgang, zorgde zij niet voor een verarming van onze samenleving. De vrijgekomen arbeid konden we omzetten in meer vrije tijd én verschuiven naar sectoren waarin mensen zich ook echt betekenisvol voelen door de inzet van hun werkkracht, hun talent, en hun ondernemingszin. Gemiddeld werken we nu dik zes uur per dag, wat volstaat en ook niet als een last wordt ervaren. Onze jongeren kunnen in hun werk kwijt wat wij vroeger tot onze vrije tijd moesten beperken: creatief zijn, in de buitenlucht vertoeven, omgaan met mensen en knutselen.

Daarnaast is er een grote hoeveelheid aan mogelijkheden om tijd te maken voor andere uitdagingen: de opvoeding van kinderen, stages, ervaring in het buitenland, zorg voor ouders, enzovoort. De grens tussen werk en hobby is overigens vaag. Het werkritme splitst de dag in delen die even boeiend kunnen zijn. Laten we nu opnieuw de deur uit stappen, ziet u hem voor u, onze droomstad?

 II

HERWAARDEREN

 We hebben bewezen dat we atomen kunnen herschikken, met DNA kunnen spelen, rivieren kunnen verleggen, waarom zouden we onze samenleving niet bewuster kunnen sturen?  Met het vorige hoofdstuk heb ik getracht uw gedachten te lezen, uw verwachtingen in te schatten om een droomplaats te schetsen waar u wellicht wel wat in ziet. Eigenlijk doe ik daarmee hetzelfde als slimme reclamemakers, ik probeer in te spelen op uw behoeften, uw verdoken idealen, uw diepe smaak-DNA. In werkelijkheid weten we vanbinnen verduiveld goed wat we willen, maar vaak vallen we voor zinnenprikkelende voorstellingen van slimme marketingjongens die niet verder strekken dan alleen de verpakking.

Denk aan een willekeurige reclame voor bier en ga eens na hoe het uw verlangen naar gezelligheid prikkelt. Of neem een reclamespot voor chips en hoeveel moeite men zich getroost om de ordinaire cellofaanverpakking te doen lijken op het organische en zacht krakende bruine papier van vroeger, het tomaatje erbij, de zonnebloem – vers en met de hand gebakken. Autoproducenten appelleren voor hun promo vaak aan de hang naar vrijheid, de voorkeur voor slingerende wegen door open natuur, een maagdelijke horizon. Op de webwinkel van Apple vindt u laptops en smartphones met op het scherm een blik op de Melkweg, de Rocky Mountains bij zonsondergang, een surfer op de golven, een picknick in de natuur, met vrienden op een bank en staren naar een blauwe hemel…

Adam Smith schreef al dat een economie enkel dienstig is als mensen bewust keuzes kunnen maken, maar die bewustheid is voor een groot stuk verdwenen. Aanvankelijk waren klanten op hun eigen vernuft aangewezen om producten of diensten te keuren, maar met de schaalvergroting van de economie zijn daar keurmerken voor in de plaats gekomen en nu nemen merken en supermarkten die rol over. Hoe groter de supermarktketens worden, hoe meer zij zich zullen ontwikkelen tot keuzemonopolisten: hun aanbod bepaalt wat u wenst. De persoonlijke belevenis wordt nu ingeroepen om de indruk te wekken dat de klant koning blijft, dat hij een grotere keuze geniet en meer diensten op maat krijgt, maar vaak gaat het om variaties op hetzelfde aanbod. Veel marketingjongens doen dus alsof ze uw hele snarenbereik aan behoeftes en wensen bespelen. Maar het interesseert hun meestal nauwelijks.

Niet uw behoeftes staan centraal, maar die van de opdrachtgever. De kunst van reclame is te doen alsof. Hoe succesvoller zij is, hoe verder de realiteit afdwaalt van waar we echt naar hunkeren. We krijgen nep-kwaliteit, nep-verbondenheid, nep-traditie, nep-mobiliteit, nep, nep, nep… zolang het maar min of meer veilig is. Dat is geen echte economie, maar een schijneconomie die doet alsof ze onze behoeften beter en beter bevredigt, maar ons in werkelijkheid veel te weinig toelaat om te genieten van onze talenten en ons technologisch vernuft.

* * *

Ik kan het succes van die schijneconomie maar op één manier verklaren: u en ik zijn eigenlijk niet egoïstisch genoeg. U leest het goed: niet egoïstisch genoeg. Er zijn doordravers die hun hele leven macht of roem of het grote geld najagen, zoals windhonden achter een konijn aan gaan, om aan het einde van de race de rekening op te maken dat het de inspanning helemaal niet waard is geweest, en er zijn de weekdieren die, om het wat cynisch uit te drukken, in al hun passiviteit de overgang van leven naar dood waarschijnlijk niet eens zo bewust zullen ervaren.

Echte egoïsten streven naar een zo volledig mogelijk leven, een vol leven met succes op materieel vlak, maar ook op het vlak van gezondheid, vriendschap en schoonheid, en de plezierige ervaring dat we als mens toch verdomd intrigerende wezens zijn.

Vanaf dit punt zullen we bekijken hoe we in plaats van meer schijn opnieuw kunnen krijgen waar de reclamemakers op doelen – een samenleving waarin er werkelijk meer tijd is voor een picknick met vrienden in een ongerept landschap, waarin mensen werkelijk gelukkiger worden van werk, waarin we opnieuw van de pure smaken kunnen genieten en waarin er ruimte is om zo nu en dan met een mooie wagen plankgas te geven – en bovenal waarin iederéén dat plezier kan ervaren.

Ik ben daarbij niet uitgegaan van traditionele graadmeters: het bruto nationaal product, efficiëntie, productiviteit en financiële balansen. Dit blijven belangrijke instrumenten om een economie te beheren. Een samenleving kan bijvoorbeeld niet eeuwig teren op schuld en het is belangrijk om te meten hoe productief we zijn in het omzetten van onze arbeid, kennis en kapitaal in meer en betere welvaart. Het lijkt me echter zinvoller eerst te vertrekken van waarden, daaruit af te leiden wat waardevol is en vervolgens uit te leggen hoe we zo doeltreffend mogelijk waarde kunnen toevoegen – in een context die niet steeds gemakkelijk is. Samengevat komt dit neer op het onderstaande schemaatje en het geeft meteen weer waar het om gaat: groei in functie van meer hoogstaande menselijke behoeften wordt beschaving en vooruitgang. De voorwaarde blijft uiteraard dat we tezelfdertijd blijven instaan voor de meer basale behoeften.

menselijke behoeften
v
waarden
v
economische waarde (geldwaarde)
v
efficiënt waarde toevoegen (productie)
v
groei

De kernwaarde in het verhaal is de volgende: het maximale geluk voor het maximale aantal mensen voor de maximale tijd. Maar wat is dan geluk? Alleen al het stellen van de vraag maakt mensen ongelukkig of minstens ongemakkelijk. Geluk lijkt me dan ook eerder de kunst van het goed leven zonder dat u er keer op keer aan moet twijfelen of u wel gelukkig bent. Geluk is een staat van leven waarin we in een zekere onbezonnenheid toch betekenisvolle dingen kunnen doen.

Wat ik van alle wijze mannen overhoud is dat geluk een staat van evenwicht is, zij het steeds een beetje wankel. Het is een evenwicht tussen onze natuurlijke hang naar ontspanning (serotonine) en onze drang naar verwezenlijking (adrenaline), een evenwicht tussen de wil om te bezitten en het oncomfortabele of het onveilige gevoel dat vaak ontstaat als we geconfronteerd worden met de armoede van anderen naast ons of na ons, tussen het verlangen naar individuele vrijheid en het verlangen om te behoren tot een groep, tussen de wil om te consumeren en kansen te krijgen in het proces van de productie, tussen het verlangen naar geborgenheid en open ruimte, tussen onze fascinatie voor technologische vooruitgang en de koestering van de natuurlijke mens, en tussen zijn geschiedenis en nieuwe verwezenlijkingen.

* * *

We moeten onze economie opwaarderen, de menselijke waarden achter de financiële waarde herontdekken.Eigenlijk is het vreemd. In discussies over economie lijkt het er meer en meer op dat u, ik en alle andere medemensen als een obstakel voor de vooruitgang worden beschouwd. Onze arbeid wordt eerder afgedaan als een last, ons verlangen naar een vol leven als een romantisch ideaal en het verlaten van de werkplek om wat vroeger bij onze geliefden te zijn als een reden om ons schuldig te voelen.

Kan het nog absurder? U en ik zijn geen obstakels voor de vooruitgang. Wij zijn het ijkpunt van de vooruitgang. De vooruitgang hoort in dienst van ons te staan. Wij hoeven ons niet in de andere richting aan te passen, maar we zijn zo bedeesd geworden dat we die bedenking nauwelijks nog hebben. Hoe zou u ook durven in deze tijden van economisch onheil! En toch, ik nodig u uit om nét dat te doen.

Ik stel voor dat u na deze alinea opnieuw even stopt met lezen, naar buiten trekt voor een goede wandeling, een fietstocht of gewoon in de zon gaat zitten en u zich afvraagt: wie ben ik en hoezeer kan ik op een doordeweekse dag mijn veelzijdigheid inzetten? Mijn lichaam, wordt het gevoed en beschermd? Mijn verstand, wordt het gestimuleerd? Mijn spieren, mijn handen en mijn benen, word ik uitgedaagd om er inspanningen mee te leveren? Mijn verbeelding en creativiteit, word ik aangemoedigd ze te ontwikkelen? Mijn interesses, krijgen zij een plaats? Mijn gevoel en mijn temperament, betekenen zij iets? Mijn zintuigen, worden ze geprikkeld, om nieuwe smaken te ontdekken, knappe materialen te betasten, schoonheid te waarderen, de warmte van de zon te voelen. Kortom: hoe beziet u zichzelf als persoon en hoe wordt u als persoon erkend en gewaardeerd? Het heeft geen zin nu verder te bladeren, als u deze stap niet mee hebt gezet. Het uitgangspunt is dat als u mee onze samenleving en economie wilt verbeteren, u zichzelf ook moet erkennen als de maatstaf, met rondom u mensen die wellicht grotendeels dezelfde verlangens koesteren.

* * *

Waardigheid, daar moet de economie van 2055 meer op inzetten. De volgende stap dan: we kunnen niet verwachten in die economie zelf naar waarde geschat te worden als we dat via onze aanbestedingen niet doen voor anderen. Dat is wederom het principe van positieve wederkerigheid, nobel eigenbelang. De topkok verwacht van zijn gasten beloond te worden voor zijn verfijnde gerechten. Met die beloning zou hij op zijn beurt kunnen investeren in goede producten, degelijk meubilair van lokale producenten of in mooi servies van een keramist uit de streek. Die leveranciers zal hij dan ongetwijfeld onder zijn gasten kunnen rekenen.

Maar in de huidige economie is het verschrikkelijk moeilijk om uit te maken hoe we door ons gedrag als klant impact hebben op de plaats van anderen die soms duizenden kilometers weg zijn. Toch is het belangrijk dat we ons alvast zo veel mogelijk die vraag stellen, telkens als we voor een aankoop staan, en ook anderen aan te moedigen dat te doen, vooral dan onze kinderen. Het product dat u in het winkelrek ziet hangen, welk verhaal vermoedt u dat erachter zit?
Laat ons dat kracht bij zetten. We geven elk jaar aan twintig bedrijven een ‘keur van waarde’ en aan tien bedrijven een ‘troeptrofee’. Het is één zaak om aan te klagen wat slecht is, maar vooral de goede alternatieven mogen een duwtje in de rug krijgen. Bedrijven die de ‘keur van waarde’ willen, die leggen zelf een dossier aan met het antwoord op vier eenvoudige vragen: 1) Kunt u garanderen dat u en uw leverancier de acht fundamentele wereldwijde regels voor waardig werk respecteren? 2) Kunt u garanderen dat uw product grondstoffenneutraal is? 3) Kunt u garanderen dat uw product klimaatneutraal geproduceerd werd? 4) Kunt u aantonen inspanningen te leveren ter promotie van vakmanschap, design, eigenheid en cultuur?

Eigenlijk is het als met andere slechte gewoonten. We moesten komen tot goed 8000 doden en zwaargewonden per jaar in Vlaanderen, alvorens we de onveiligheid in het verkeer gingen aanpakken. We moesten komen tot een explosie van het aantal longkankers, alvorens we gingen beseffen dat tabaksverslaving slecht is voor de gezondheid.
Nu belanden we op het punt waarop onze welvaart dreigt in te storten, en beetje bij beetje beginnen we te beseffen dat onze verslaving aan rommel onze welvaart en waardigheid ernstige schade toebrengt – dat we niet hoeven te verwachten om zelf als werknemer gewaardeerd en beloond te worden, als we dat via onze rommelcultuur ook niet voor anderen doen.

De middenklasse draagt een verpletterende verantwoordelijkheid. En, ja, misschien mag het af en toe wat minder in hoeveelheid. Moeten we per se een winkel buiten draven met een zak vol spullen die we na een maand niet meer dragen of gebruiken? Het is ook geen schande om kwaliteitsvolle producten een tweede leven te geven. Kortom, met uw huidige budget kunt u echt wel invloed uitoefenen. Er zijn vaak ook goede alternatieven en zelfs lokale alternatieven. De ‘keur van waarde’ zal dat ook bewijzen. Zaken van waarde zijn overigens niet noodzakelijk duurder. Waar we op uit zijn is vooral een verschuiving in de kostenstructuur. Daarover later meer.

Het is belangrijk elkaar hierin aan te moedigen. We moeten als samenleving de rangen sluiten. Leerkrachten zouden op school aandacht kunnen besteden aan de waarden achter de waarde, in lessen economie, bijvoorbeeld. Scholen zouden onze jongeren er ook meer bewust van moeten maken dat vorming meer om het lijf heeft dan leren rekenen of internetten. Het is even belangrijk om onze kinderen tot goede burgers en kritische consumenten op te leiden als tot vaardige producenten.

Laten we bedrijven uitdagen om mee het charter te onderschrijven – producenten, maar ook bijvoorbeeld supermarkten. Ze moeten trots durven zijn dat ze zich niet laten meeslepen in een onzinnige prijzenslag en hun zaak met meer overtuigingskracht verdedigen ten aanzien van de consumenten. Gemeentes en overheden kunnen met hun aankopen het verschil maken: bewuste gemeentes voor sterke lokale bedrijven, bewuste bedrijven voor sterke gemeentes, dat is het doel.

Ik hoop dat ik bij u stilaan het gevoel begin los te maken dat we iets heel groots in beweging kunnen zetten, en ik bedoel iets écht groots, dat we samen van Vlaanderen opnieuw een Europese voorloper kunnen maken, en dat we de enorme uitdagingen die vanuit de wereld op ons af komen zonder twijfel aan kunnen gaan ook al staan we met de rug tegen de muur.

De verandering kan! Maar de verandering moet vooruitgang zijn. Die verandering komt van onderuit, van uzelf, van mij en van alle burgers. U moet er van overtuigd zijn, hartstochtelijk bijna. We bouwen enkel een betere samenleving als we samen echt beter willen!

* * *

Onze samenleving kan wereldwijd de nieuwe goudstandaard worden, een modelsamenleving waaraan anderen in de wereld zich optrekken. We bouwen verder op de verwezenlijkingen van onze voorouders, op de waarden van het humanisme, de Verlichting, de vrije markt, op de baten van de industriële revolutie, het inzicht dat solidariteit nodig is voor het behoud van de stabiliteit, de gelijkheid tussen man en vrouw, het pleit voor duurzaamheid…

Het is aan ons om een nieuwe stap voorwaarts te zetten, om het nog beter te doen. Dat is een enorme opgave. We kunnen die concreet maken door ons als regio te verenigen rondom tien grote ambities.

1) We streven naar een veilige samenleving met een groot veiligheidsgevoel op straat, veiligheid aan de grenzen, veilige producten, enzovoort. Veiligheid blijft de meest fundamentele behoefte van alle mensen en niemand kan in deze akelige wereld garanderen dat onze veiligheid op langere termijn gewaarborgd wordt.  We moeten pleiten voor meer Europese samenwerking, maar ook onze eigen verantwoordelijkheid nemen voor wat investeringen in veiligheid en defensie betreft. Onze veiligheidsdiensten moeten efficiënt werken, streven naar samenwerking met andere Europese landen, maar dat kan niet als we blijven bezuinigen op onze defensie en de rekening op een totaal onverantwoorde manier blijven doorschuiven naar toekomstige regeringen. Voor mijn verdere ideeën over veiligheid en defensie verwijs ik naar mijn boek over Europa: De kracht van het paradijs.

2) We streven naar échte welvaart, geen vals gevoel van welvaart gebaseerd op schuld. We mogen van onze economie geen schuldslaaf maken. De balans tussen wat we produceren en consumeren, tussen uitvoer en invoer, tussen investeringen en rendement moet in evenwicht zijn. We moeten af van de zinloze discussie over méér of minder investeringen door te mikken op investeringen met een grotere opbrengst.

3) We streven naar duurzaamheid. In wat we doen vandaag mogen we geen voorschot nemen op de toekomst van onze kinderen door grondstoffen uit te putten of open ruimte onherstelbaar te beschadigen. In wat we doen vandaag, mogen we er ook niet van uitgaan dat we zwakkere samenlevingen elders kunnen uitmelken zonder vroeg of laat lik op stuk te krijgen. In wat we doen vandaag moeten we steevast proberen om daardoor morgen sterker te staan.

4) We streven naar meer productiviteit. Productiviteit is geen vies woord, maar het gaat daarbij niet alleen om steriele zakencijfers en bedrijfswinst. Productiviteit betekent dat we uit onze inspanningen de maximale winst halen op het vlak van veiligheid, welvaart, geluk en schoonheid. Dat wordt dan vertaald in centen. Het doel is een bijdrage te leveren aan de samenleving en de beloning voor die bijdrage is een salaris of winst.

5) We streven naar een efficiënte overheid, een kleinere overheid die beter in staat is om onze belangen te behartigen, enkele duidelijke basisregels af te dwingen en te voorkomen dat andere samenlevingen onze inspanningen bemoeilijken. Stedelijke overheden krijgen een belangrijkere rol.

6) We streven naar sterke personen in een hechte samenleving. Onze identiteit zoeken we een stuk in het verleden, maar vooral in gezamenlijke streefdoelen. We mikken op solidariteit, maar vooral op positieve wederkerigheid. Met de herverstedelijking proberen we bevolkingsgroepen goed te vermengen. Met de herverkaveling van de economie doen we hetzelfde. De schotten tussen links en rechts, socialisme en liberalisme, duurzaamheid en rentabiliteit verdwijnen. We verzamelen rond een nieuw centrum.

7) We streven naar een ondernemende samenleving. Iedereen moet de kans krijgen om zijn talenten te ontwikkelen en moet ruimte krijgen voor ambitie. We verlagen opnieuw de drempel om volwaardig deel te nemen aan de economie. Maar de verantwoordelijkheid wordt groter.

8) We streven naar innovatie met de mens als ijkpunt. We gaan voor een kenniseconomie waarbij kennis niet alleen erkend wordt bij hoogopgeleide wetenschappers, maar eveneens bij leerkrachten, vaklui, verpleegkundigen, enzovoort. Kennis en inzicht schuilen in alles wat we plannen, doen en maken.

9) We streven naar een van de aantrekkelijkste regio’s van het Westen, stedelijk maar met een fabuleus groen achterland.

10) We streven naar een samenleving waarin cultuur en kunst niet beschouwd worden als een luxe, maar als een drijvende kracht van de vooruitgang, verbeelding en creativiteit. Er mag best meer tijd en ruimte zijn voor muziek, beeldende kunst, literatuur, theater, dans en carnaval.

De ruimte tussen Maas en Schelde moet tegen 2055 dezelfde aantrekkingskracht uitoefenen als stadstaten zoals pakweg Singapore vandaag de dag: minder door de hoogte van de wolkenkrabbers, meer door veiligheid, duurzaamheid, levenskwaliteit en schoonheid. We zijn door een historische samenloop van omstandigheden samen die ruimte gaan bevolken en hoe virtueel grenzen of naties ook mogen zijn, ik geloof nog steeds dat de wisselwerking tussen aardrijkskunde en geschiedenis ervoor zorgt dat mensen in bepaalde gebieden op elkaar aangewezen zijn. De grootsheid van een samenleving zit niet in het chauvinisme over het verleden. De grootsheid van een samenleving zit in de ambitie van de mensen, de ambitie om samen een betere toekomst te maken.

III

UITDAGINGEN OVERWINNEN

Er liggen fenomenale obstakels op onze weg, zoveel is duidelijk. De grootste hindernis? Dat velen onder ons zijn gaan geloven dat er helemaal geen weg vooruit meer is. Zulk cynisme en gebrek aan vertrouwen zijn dodelijk voor een samenleving.

De eerste uitdaging betreft dan ook het herstellen van het zelfvertrouwen. In de herfst van 2014 nodigde ik een aantal Aziatische beleidsmakers uit om op een boerderij in Haspengouw na te denken over de staat van de wereld. ‘Weet u,’ opperde een belangrijke adviseur van het Chinese planbureau, ‘jullie Europeanen kijken altijd op naar ons omdat wij zo snel groeien, maar jullie staan zelf voor een veel moeilijkere taak. Wij volgen min of meer jullie pad en hopen door een sterke industrie de armoede te verminderen, maar hoe jullie de rijkdom kunnen behouden, dat is een veel lastiger vraag, want het antwoord zal onvermijdelijk iets volledig nieuws zijn. Jullie staan op de top van de berg, wij volgen, en hopen dat jullie spoedig opnieuw een weg vooruit vinden.’ Velen onder hen beweren dat we ons samenlevingsmodel moeten ontmantelen, maar soberheidspolitiek zonder visie is niets meer dan afbraakpolitiek. Anderen beweren dan weer dat de overheid meer moet doen, maar kunnen niet uitleggen wat die overheid dan precies moet doen om een sterkere regio te bouwen. Investeren zonder strategie heeft immers ook geen zin.

Door die verlammende tweestrijd tussen conservatief rechts en conservatief links ontstaat het idee dat de overheid er helemaal niet meer toe doet en dat we gedoemd zijn om stuurloos als bal op de golven van de wereldpolitiek heen en weer te worden geslingerd. Meer en meer horen we zelfs de stelling dat onze democratie voorspoed in de weg staat en dat we net als China sterk leiderschap nodig hebben.

Ik ben ervan overtuigd dat we ook met democratie en inspraak een doeltreffend beleid kunnen voeren, alleen moet het plan helder zijn en dient er ook een duidelijk signaal van ons, burgers, te komen. In een verbitterde maatschappij gedijt geen enkel hoopvol politiek project.

Kortom: u en ik moeten duidelijk maken hoe we vooruit willen. Dan is het aan politici die geloven in vooruitgang, de progressieve partijen, om het centrum opnieuw uit te vinden. In een toekomstproject waarin ‘beter’ de leidraad wordt, hoeft het geen probleem te zijn, lijkt me, om de traditionele breuklijnen tussen vrije markt en solidariteit, soberheid en gulheid, productiviteit en duurzaamheid te overbruggen. Consensus kan. Maar het beleid moet prikkelend en progressief blijven.

Geven wij als burgers het signaal af dat we de markt willen veranderen, dan is het de taak van de overheid om dat mogelijk te maken. We moeten af van de overheid met de bedelstaf. Het moet gedaan zijn met het beeld van een overheid die zich opdringt aan de eigen bevolking maar zich bijna smekend aan de voeten van buitenlandse investeerders werpt. We moeten niet verwachten dat buitenlandse investeringen de economische problemen voor ons oplossen, we moeten opnieuw in onze eigen krachten geloven. Geen economische strategie in dienst van investeerders, maar investeringen in dienst van een goede strategie. Geen ruimtelijke planning in dienst van enkele grote vastgoedontwikkelaars, maar vastgoedprojecten in dienst van een degelijk ruimtelijk plan. De overheid moet opnieuw handelen in dienst van het algemeen belang.

* * *

De tweede opdracht is het terugdringen van onze overheidsschuld. Elke Vlaming wordt geboren met schuld omdat de vorige generaties het nodig vonden een voorschot te nemen op de toekomst. Zij hebben regeringen aan de macht gebracht die schulden zijn aangegaan in de veronderstelling dat de economie sterk genoeg zou zijn om deze schulden af te betalen. Dat bleek dus niet het geval te zijn. Momenteel beloopt de overheidsschuld 37.500 euro per inwoner en betaalt elke inwoner jaarlijks ongeveer 1200 euro aan rente op die overheidsschuld.

Dit is problematisch omdat die overheidsschuld niet heeft geleid tot investeringen die onze positie verbeterden. Onze infrastructuur, onze scholen en onze ziekenhuizen waren nooit veel beter dan andere West-Europese samenlevingen met een lagere schuld. Nu hebben we nog steeds de schuld, maar de scholen zijn in verval. We komen dus op het punt dat het erg moeilijk wordt die voorzieningen te handhaven zonder ofwel extra belastingen te innen ofwel ons nog verder in de schulden te werken.

Het wordt helemaal problematisch als die schuld in handen van buitenlandse kredietverstrekkers komt. Voor de eurocrisis was ongeveer 40 procent van onze overheidsschuld in buitenlandse handen, erna was dat 46 procent. Onze rente vloeit dus ook voor een groot deel naar het buitenland: een dikke drie miljard euro per jaar.

Er is niets mis met lenen, zolang u weet genoeg te zullen verdienen om die lening terug te betalen, zolang u weet dat uw investering met de lening rendabel is. Onze overheid heeft zich de voorbije decennia echter te veel gedragen als een huisvader die de woning in onderpand geeft om de dagelijkse boodschappen te kunnen doen.

We moeten als samenleving alles in het werk stellen om geen schuldslaaf van het buitenland te worden. Daarvoor moeten we onze afhankelijkheid van dure ingevoerde energie snel terugdringen, zullen we onze economie zelf moeten versterken in plaats van steevast buitenlandse investeerders aan te moedigen om dat te doen en zullen we meer goederen zelf moeten gaan produceren. Vlaanderen mag zich niet afsluiten. Het uitwisselen van goederen, diensten en kennis tussen verschillende samenlevingen is een goede zaak. Er moet echter een evenwicht zijn.

We moeten ons ook meer bewust worden van het belang van bepaalde uitgaven. De overheidssector lijkt nu te veel op een zwarte doos. Door de eindeloze lijst belastingen en uitzonderingen is het amper uit te maken hoeveel we erin stoppen, hoeveel we eruit halen en in welke mate we teren op krediet. Investeringen zonder betrokkenheid zijn gedoemd om te ontsporen.

Een mentaliteitswijziging is dan bittere noodzaak. Het gefrustreerde gevoel bij burgers belast te worden moeten we omzetten naar het gevoel mee te investeren in een betere toekomst. We dienen te evolueren van passieve betalers naar meedenkende investeerders.

We zullen de rol van de overheid als investeerder dus moeten beperken, maar niet de rol van de overheid als regelgever van de markt. De overheid moet de markt niet overnemen, maar wel inrichten met regels die onze ambities reflecteren en toezien op basisrechten.

Als er al strategische investeringen moeten worden gedaan, zoals voor de bouw van een energiecentrale, dan hoort de overheid een investeringsplan voor te leggen en burgers te overtuigen obligaties te kopen. Dat is een uitdaging, maar de kans op kortzichtige investeringen wordt er kleiner door en burgers krijgen ook een betere indruk van wat bepaalde zaken kosten. De relatie tussen overheid en burgers in economische kwesties zal dan meer lijken op de relatie tussen bestuurders en aandeelhoudersvergadering.

Over andere investeringen wordt het best beslist op het niveau van steden, zonder dat overheden op dat niveau de markt al te zeer gaan domineren. Voor infrastructuur kan opnieuw gewerkt worden met obligaties, en aangezien de noodzaak van infrastructuur veel beter wordt aangevoeld op lokaal vlak, kan er ook gemakkelijker gemobiliseerd worden. Voor andere diensten lijkt het me goed dat burgers de werkelijke kosten betalen. Maar dan behoren we wel de economie te versterken op zo’n manier dat alle mensen de middelen ervoor hebben en dat de overheid een oplossing zoekt voor mensen met pech. Het principe van solidariteit blijft overeind! We zullen de solidariteit duurzaam maken, ervoor zorgen dat zij ook de volgende generaties dient…

Leave a Reply