Jonathan Holslag On world order and disorder

Leve de onbeperkte groei!

Wie meende dat de Franse stereconoom Thomas Piketty met zijn werk over ongelijkheid een somber beeld schetste, zet zich best schrap. De realiteit in Europa is nog somberder dan Piketty die voorstelt. Ik ben zelf aan het cijferen gegaan en de resultaten zijn onthutsend. De kwestie is niet dat de rijken rijker en de armen armer worden in Europa, de kwestie is dat zowel arm als rijk er economisch fors op achteruit gaan.

Optimisten houden vol dat de welvaart toeneemt. Het inkomen van een Europeaan is sinds de eeuwwisseling inderdaad met 46 procent gestegen. Maar breng je de inflatie in mindering dan blijft er van die stijging nog slechts 5 procent over. In liefst 11 lidstaten nam het werkelijke inkomen af. In het Verenigd Koninkrijk daalde het werkelijke inkomen met 22 procent en in Italië met 13 procent. In Nederland bleef dit beperkt tot een krimp van 2 procent. In een flink stuk van de Europese bevolking wordt dus armer.

Sinds 2007 is die trend alleen maar scherper geworden en daalde het werkelijke beschikbare inkomen over de lidstaten heen met liefst 11 procent. De huidige economische stilstand betekent in werkelijkheid een achteruitgang van de koopkracht. Dat geldt voor alle Europanen. Het blijft natuurlijk zo dat een inkomensdaling van 11 procent veel harder aankomt bij armen, maar we eigenlijk gaan solidair de economische nGroeieergang tegemoet.

Wat doen we daar aan? Tientallen conversaties voerde ik met economen uit alle windhoeken en van alle strekkingen. Wat me meteen opviel was hoe de grote meerderheid van hen steevast bezig is met praktische kwesties. Hoe organiseren we de Eurozone? Hoe houden we het toezicht op banken? Hoe hervormen we staatsbedrijven? Belangrijke vragen, dat wel, maar, het blijft toch een beetje als boekhouden in een onderneming waar het water aan de lippen staat.

Na de boekhouders komen de pleitbezorgers van meer defensieve maatregelen. In alle Europese hoofdsteden trof ik beleidsmakers aan die vonden dat hun overheid harder moest optreden tegen de Chinezen of de Amerikanen met hun energienationalisme. In Peking en Washington hoorde ik dan weer een pleidooi om een vuist te ballen tegen het protectionisme van Europa. Europa moet zich weren, zoveel is duidelijk, maar protectionisme blijft een strijd om de kruimels. Er is meer nodig om onze welvaart te redden.

Dan heb je de soberheidsprofeten. Vaak hebben die orthodoxen gelijk. Vele samenlevingen leven boven hun stand en boeken grote tekorten op hun handelsbalans. Maar devaluatie zonder toekomstvisie is niets meer dan autodestructie. Ik heb voor de West-Europese landen ook geen enkel positief verband gevonden tussen loon- en fiscale lasten en de bereidheid van bedrijven om te investeren.

Hebben investeringsbepleiters als Paul Krugman het dan bij het rechte eind als zij er bij de overheid op aandringen de geldpersen te laten rollen of zelf meer uit te geven? Geenszins. De voorbije jaren hebben de Amerikaanse en de Europese centrale bank voor ruim 6,000 miljard dollar extra geld in de economie gepompt, zonder bestendige groei te genereren.

Dan maar het advies van Piketty en geld halen bij de rijken? Ik geloof eigenlijk niet in de remedie. Het bezit van de allerrijksten is inderdaad moeilijk te verantwoorden, maar stel dat we de hen zwaarder gaan belasten: lost dat de achteruitgang van Europa op? Gaan we armen geld toestoppen om er stookolie uit het Midden Oosten mee te betalen of goodies die we invoeren uit China? We moeten naar een slimmere herverdeling, naar een herverdeling van economische kansen en via die weg naar een herverdeling van de welvaart.

Dat we voor moeilijke aanpassingen staan, is duidelijk, maar waar de meeste economen geen klaarheid over geven, is hoe we die aanpassing doorvoeren: in welke sectoren we best ons kapitaal investeren, onze arbeid, onze ruimte én onze verbeelding. Wat is de zingeving achter onze investeringen? Het antwoord op die vraag is cruciaal en het is trouwens niet alleen in het Westen dat het probleem zich stelt. Ook de Chinezen, de Indiërs en de Brazilianen zitten muurvast in een groeimodel dat niet bestendig is. Als daar de groei gaat blijft sputteren, zitten we pas echt in de knoei.

De meeste economen voeren aan dat de markt daarover moet beslissen en dat brengt ons steevast bij technologie, daar zou de groei vandaan komen. Onderzoek wijst echter uit dat het verband tussen technologie en groei niet eenduidig is. Omdat we met veel meer landen concurreren voor dezelfde technologie, worden de baten van technologische voorsprong kortstondiger. Robert Gordon en Peter Thiel betwisten zelfs dat technologische innovatie nog dezelfde baten te creëert als in het verleden. Ik vraag me vooral af of innovatie steeds technologisch moet zijn en vooral ook hoe we kapitaal en de arbeid die vrijkomen door automatisering kunnen inzetten om een betere samenleving te bouwen.

Het komt me voor dat we steeds op de zelfde muur botsen: het onvermogen om onze middelen een goede bestemming te geven. Dat probleem situeert zich deels aan de aanbodzijde. Of het nu gaat om complexe financiële producten of het zoveelste hoogtechnologische gadget, het blijft gemakkelijk om de honger naar snelle winst aan te wakkeren met hypes, met betwistbare claims op vooruitgang. Een Googlebril is een pareltje van technologisch vernuft, maar helpt zij er ons ook echt op vooruit als samenleving? Een economie die van de ene hype naar de anders zwalpt, lijkt me geen goed idee.

Het probleem situeert zich ook aan de vraagzijde: consumenten hebben de neiging bezit te maximaliseren en de kosten zoveel mogelijk te minimaliseren – vaak door ze te negeren, het negeren van de kost van verkeersellende, vervuiling, vereenzaming of het verdwijnen van lokale nijverheid, en dus ook van de welvaart. Eigenlijk zijn we door dit schuldig verzuim allen even medeplichtig als de miljardairs die we steeds meer op de korrel nemen. Het is een catastrofale symbiose, die tussen de hypekapitalisten aan de top en de weinig kritische massa aan de basis.

Consumenten zijn we opportunisten maar tezelfdertijd blijkt uit onderzoek dat we diepere verlangens koesteren die haaks op die kortzichtigheid staan. We willen groeikansen, variatie in ons werk, mooie steden, authenticiteit, erkenning en menselijke betrokkenheid. Laat dat net zijn wat ons bestedingsgedrag onmogelijk maakt. Heel veel van die zaken zijn niet eens in geldwaarde uitgedrukt. “Maar dat hoort toch niet!” hoor ik u riposteren. Tja, we vinden het normaal 500 Euro voor een smartphone te betalen, maar hoe drukken we dan wel onze waardering uit voor een mooie straat, een bos om in te joggen, een aangenaam klaslokaal voor onze kinderen, een werkgever die inzet op talentontwikkeling,…

Sommige zaken beschouwen we misschien wel té evident omdat we er routinematig belastingen voor betalen en verwachten dat “de gemeenschap” daar wel zorg voor zal dragen. Dat zou zo moeten zijn, maar wat als die gemeenschap daartoe onvoldoende geprikkeld of beloond wordt? De ontwerper van een smartphone wordt ongetwijfeld flink beloond voor zijn succes en dat mag ook, maar wat doe je met een ondernemer die inzet op duurzaamheid, met een projectontwikkelaar die voor zijn gebouwen gebruik maakt van mooie bouwmaterialen, de supermarkt die groenten met smaak aanbiedt, de schoenenfabrikant die vakmanschap in ere houdt, de bussenbouwer die gaat voor 0-emmissie, de bankier die investeert in projecten die er toe doen of de onderwijzer die in zijn vrije tijd zorgt voor een mooi klaslokaal voor onze kinderen. Dit zijn de echte bouwers van het Nederland van morgen.

Kortom, we hebben een stuk van de markt en onze behoeften netjes uitgedrukt in geldwaarde, maar grote stukken ook niet en dan wordt het natuurlijk veel minder evident dat we investeren in goederen en diensten die onze samenleving werkelijk sterker maken. Daarnaast zijn we arbeid ook te zeer gaan bekijken als last, terwijl een goede economie mensen net toelaat om een evenwicht te vinden tussen vrije tijd en et soort van werk waaruit we welbevinden en vreugde puren. Arbeid als bron van geluk en als bijdrage aan een sterke samenleving.

Om te vermijden dat kapitaal blijft wegstromen naar zinloze bubbels moet de markt beter georganiseerd. Dit komt neer op basisregels. Leveranciers of landen die menen de Europese markt in te palmen door de waardigheid, de vermogens of de leefomstandigheden van mensen op het spel te zetten, moeten eruit. Die regels moeten dus zowel gelden voor onze eigen bedrijven als bedrijven die naar onze markt exporteren. Productieketens zullen daardoor onvermijdelijk korter worden. Dat is geen protectionisme, maar de globalisering zal opnieuw gaan om die zaken die samenlevingen uniek maken eerder dan om de universalisering van de cultus van het goedkoop.

Doordat consumenten nauwer betrokken zijn bij de productie, zullen zij de werkelijke waarde ook beter kunnen inschatten. Ook in bepaalde diensten als onderwijs, transport, en gezondheidszorg moeten consumenten kunnen uitmaken waar zij het meeste waar voor hun geld krijgen, zodat kwaliteit beloond wordt. Het maakt niet veel uit of je dat binnen de publieke of private sector nastreeft, zolang je de basisdiensten maar toegankelijk voor iedereen houdt.

Diezelfde consument moet ook opnieuw beter gevormd worden. We leren onze jongeren produceren op school, maar niet hoe ze met de inkomsten uit hun productie verstandig kunnen consumeren. Dat houdt geen steek. Het valt echt op hoe Europese landen die bewuster zijn op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid economisch ook veel beter presteren, investeringen stimuleren en banen scheppen.

En ja, de overheid zal daarbij een rol moeten spelen, net zoals de overheid mee de markt hielp organiseren toen in Europa in de middeleeuwen overschakelde naar betere landbouwsystemen, later de eerste jaarmarkten mogelijk maakte, de industrialisatie mee faciliteerde en in de voorbije decennia de hele diensteneconomie. Het belangrijkste daarbij is dat we de markt zijn ding zoveel mogelijk laten doen, maar onze producenten meer kansen gunnen door de markt naar een hoger niveau te tillen.

Het economische debat zou zich dus niet moeten afvragen of er investeringen of herverdeling nodig zijn, maar wat de bestemming van de welvaart is. Natuurlijk moeten de balansen in evenwicht, maar de economie moet vooral weer een hoger doel gaan dienen. In een economie waarin de levenskwaliteit centraal staat, zijn de groeikansen ook eindeloos en ook de kansen voor tewerkstelling, welvaartsspreiding én geluk.

Die sprong maken we doordat de overheid haar macht aanwendt om kwaliteit lonend te maken en dus ook de definitie van de macht te veranderen. Net zoals Europa de toon zette met haar humanisme, de verlichting, de industriële revolutie, sociale rechtvaardigheid en gendergelijkheid, denk ik dat Europa opnieuw de toon kan zetten met deze beschavingssprong en landen als China of de verenigde Staten een alternatief bieden voor hun problematische ontwikkelingsmodel. Leve de onbeperkte groei!

Verscheen in Knack en De Volkskrant.

Leave a Reply