Jonathan Holslag On world order and disorder

Hongarije heeft vooral liefde nodig

7384943In 2017 en 2018 reisde ik langsheen de Europese buitenrand: van Groenland tot Sint-Petersburg, van Sint-Petersburg tot Caïro en van Caïro tot Gibraltar. Mijn objectief was te evalueren waar we staan vijftien jaar nadat de Europese Unie haar eerste veiligheidsstrategie publiceerde. “Een veilig Europa in een betere wereld,” was toen de belofte. Wat is ervan gekomen? Mijn bevindingen rapporteerde ik aan de Europese leiders, maar voor Knack en Trouw mocht ik om de twee weken ook een uitgebreide reportage schrijven. Dit was de tiende aflevering.

BOEDAPEST – De voorbije maanden trok ik van Groenland via de Baltische Staten naar Rusland, Wit-Rusland, Oekraïne en Moldavië. De spanningen met Moskou lopen op deze geopolitieke breuklijn hoog op. Nadat het Westen met de uitbreiding van de Europese Unie en de NAVO aan invloed won rondom het Balticum, probeert het Kremlin het Westen met alle mogelijke middelen de pas af te snijden in Wit-Rusland, Oekraïne en Moldavië. Wat evenwel opviel, was hoe deze geopolitieke rivaliteit en de angst van de bevolking voor de ambities van Rusland door lokale politici gebruikt wordt om hun positie in het binnenland te verstevigen, ja zelfs de externe dreiging aangrijpen om de aandacht af te wenden van de corruptie en de armoede in eigen land.

Van dat Oost-Europese front verschuift mijn focus naar de Balkan, maar eerst houd ik nog halt in Hongarije. Hier wil ik begrijpen of de Europese Unie het land van Victor Orban aan het verliezen is, of dat Orban net de voorhoede is van een nieuw conservatief en nationalistisch reveil in Europa. Het is vijftien jaar geleden dat Hongaren ervoor kozen om toe te treden tot de Europese Unie. Sindsdien hebben de Europese instellingen er jaarlijks vier miljard euro geïnvesteerd en toch vindt amper één derde van de bevolking de Europese Unie een goede zaak. Eerste Minister Victor Orban heeft er zijn handelsmerk van gemaakt om Brussel te provoceren met maatregelen die de rechtstaat verzwakken. Hoe komt het dat de Hongaren zo bitter zijn over Europa ondanks de steun? Kan Orban echt de voortrekker worden van een nieuwe conservatieve beweging in Europa en maakt zijn nationalisme het land ook effectief sterker?

Screen Shot 2018-02-20 at 10.29.13

Corinthia Hotel

“Europa moet meer begrip tonen voor de situatie van dit land. Met het opgestoken vingertje alleen zal het de bevolking er heus niet van overtuigen dat Orban’s beleid de democratie en de welvaart van het land in het gedrang brengt. De betuttelende houding van Brussel werkt averechts.” Het is de mening van Patrick Nopens, een voormalige defensieattaché die nu in Boedapest woont. Ik ontmoet hem toevallig tijdens mijn vlucht en hij biedt me een lift aan van de luchthaven naar mijn hotel. Zijn oude Defender doorkruiste bijna de hele voormalige Sovjet-Unie en bromt nu over de nachtelijke ringweg. “Probeer naar dit land te kijken met een open geest,” adviseert hij, “Dit land is strategisch belangrijk en we mogen de Hongaren niet van ons vervreemden.”

Ik meld me in het Corinthia Hotel, een prachtig negentiende eeuws etablissement, waar Bella Bartok nog componeerde en de burleske Joséphine Baker ooit in de statige spa dobberde. Net voor mij is een buslading Chinezen gelost, nu drukdoende de marmeren hal te fotograferen. Ik voeg me in de rij om me te registreren. Een conciërge ziet me ongeduldig worden en biedt een glas zoette wijn aan in de bar. Op een televisiescherm zie ik Orban naast de Israëlische eerste minister Bibi Netanyahu. Ze leggen bloemen aan een monument. Vreemd, bedacht ik me, was het niet net Orban die van leer trok tegen de Joodse invloed en vooral dan de miljardair Georges Soros die in Hongarije steun gaf aan tal van projecten voor het behoud van de democratie. Daarna volgen beelden van Orban bij een sportmanifestatie en van Orban bij de opening van een groot scholencomplex. Hij heeft zijn publieke relaties alvast in orde.

De dag erna is het broeierig in Boedapest. Bezwete toeristen sjokken met hun afgepeigerde kinderen door de straten. Ik zoek de koelte op van het nationale museum. Hier is het moderne Hongaarse nationalisme zowat ontstaan. In de trappenhal hief dichter Sandor Petofi in 1848 zijn vrijheidslied aan, tégen de onderdrukking van het Oostenrijkse keizer die hier de plak zwaaide. Persvrijheid, zelfbeschikking, religieuze vrijheid, gelijkheid, gerechtigheid en vaderlandsliefde: dat moesten de bouwstenen worden van het moderne Hongarije. De twee grote pijlers van het patriottisme waren burgerschap en de grootste Hongaarse geschiedenis. Hongarije controleerde immers ooit een immens rijk en leverde strijd tegen oprukkende Mongolen, Byzantijnen en Turken. Het was het schild van Europa. Burgerschap betekende dan weer dat de Hongaren zich moesten inspannen om hun eigen cultuur, industrie en gedachtegoed te ontwikkelen.

Patriottisme

“Dat liberaal patriottisme zag vrijheid als voorwaarde, maar was toch vooral een oproep aan de Hongaren zelf om ambitieus, ondernemend en innovatief te zijn. Emancipatie was de sleutel. Dat leek goed te lukken. Na de revolutie van 1848 kregen wij geleidelijk aan meer vrijheid en vormde zich een kapitaalkrachtige burgerij die op zijn beurt het pad effende voor beter onderwijs en een snelle industriële groei. Aan het begin van de twintigste eeuw was Boedapest de rijkste stad van de hele regio. Dit was de tijd van Bela Batrok en Franz Liszt.” Ik luister naar Andras Gero, een van ’s lands prominentste historici. Gero spreekt met pretoogjes en steekt de ene sigaret na de andere op. Door een venster van zijn oude villa op de chique Gellértberg zie ik beneden de Donau glinsteren en de neogotische spitsen van het parlementsgebouw.

“Maar dan kwamen de twee wereldoorlogen,” vervolgt Gero, “In 1919 raakten we een derde van ons grondgebied kwijt omdat we samen met de Oostenrijkers vochten. Door de economische vernieling daalde het inkomen per hoofd met een derde en was het gedaan met de burgerij. De Sovjets hebben de burgerij de genadeslag gegeven. De opstand van 1956 werd hard neergeslagen en de decennia die daarop volgden ontstond er een soort pact waarbij burgers economische zekerheid kregen in ruil voor het opgeven van hun politieke vrijheid. Mensen werden apolitiek en cynisch. Na de val van de Sovjet-Unie waren de meeste mensen niet geïnteresseerd in de vrijheden van de Europese Unie, maar in haar rijkdom. Even leek die welvaart er te komen. Na 2000 vertraagde de groei echter en volgde het ene corruptieschandaal na het andere. Desillusie ten aanzien van Europa, corruptie, wantrouwen en armoede: dat leidde tot de opkomst van Orban.”

Socioloog Janes Simon beaamt. “De civiele maatschappij is verdwenen. Zelfs na het verdwijnen van de Sovjet-Unie werden burgers amper betrokken bij de transitie naar een vrij land.” Mensen moeten toch inzien dat er risico’s aan de anti-Europese koers van Orban verbonden zijn, werp ik op. “We hebben nauwelijks een middenklasse of burgerij die het belang van de vrijheid inziet, maar een grote massa werkende armen die het hoofd boven water proberen te houden, weinig geschoold is en weinig tijd heeft om zich in te laten met politiek. Stabiliteit is voor hun het belangrijkste. Zeventig procent ouderen zijn nostalgisch naar de Sovjettijd en de nieuwe generaties willen vooral duidelijkheid. Jongeren zijn erg cynisch.” Simon benadrukt ook dat het erg moeilijk is voor liberalen om succesvol te zijn. Het opbouwen van een middenklasse kost tijd en de economische kansen liggen door de concurrentie met andere arme landen niet voor het rapen.budapest

Boedapest suburbia

Het volstaat om het historische centrum even te verlaten om die realiteit door te laten dringen. Het kostte me wat moeite, maar via-via kan ik op de koffie bij een gezin in een van de buitenwijken. De periferie van Boedapest is een typisch suburbia van lage vrijstaande woningen met een haag, een schraal grasperk en een hek. Het gezin bestaat uit twee veertigers, een magazijnbediende en een politieman, een kind en een nerveus keffertje dat me gedurende het hele gesprek maanzaadkoekjes aftroggelt. Het gesprek komt moeizaam op gang, maar de eerste vraag die ik krijg is waarom Brussel zo boos is op Orban. Ik verwijs naar zijn aanval op de vrije pers, maar dat argument wordt niet enthousiast onthaald. “Wij hebben niet op Orban gestemd, maar het is niet goed dat ons land de les wordt gespeld,” zegt de man, “Je maakt van Orban een martelaar. Mensen vinden zijn stoere houding sympathiek.” Zijn echtgenote benadrukt dat het land rust nodig heeft: “We moeten ons concentreren op banen. We moeten het gezamenlijke belang vooropzetten.” Maar wat dan met de corruptie? “Corruptie hoort bij de politiek. Is het in uw land beter? Zolang dat we van Hongarije maar geen bandietenstaat maken zoals Rusland.” Ik geraak niet veel wijzer uit het gesprek, maar op de terugweg stelt ook mijn taxichauffeur dat stabiliteit het belangrijkste is. “Om te kunnen bouwen is er eerst rust en orde nodig.”

Maar bewerkstelligt Orban die stabiliteit en rust, overpeins ik terwijl we door de doodse straten van de parkwijk laveren. Wordt stabiliteit gegarandeerd door de vrije media kapot te maken, door de bevolking op te zetten tegen minderheidsgroepen als de Roma? Is er sprake van opbouw als er minder wordt geïnvesteerd in onderwijs, in de opleiding van sterke burgers, zoals dichter Sandor Petofi bepleitte, en meer geld wordt gepompt in voetbalstadia? Brood en spelen. Is er sprake van opbouw wanneer de schoonzoon van de premier met een bedrijfje van niets voor tientallen miljoenen publieke contracten binnenrijft, als diezelfde premier een trein laat rijden naar zijn geboortestad waar bijna niemand woont en een flink stuk van zijn jeugdvrienden inmiddels oligarchen zijn? Wat voor zin heeft het om met de vuist naar Brussel te zwaaien als het land tezelfdertijd afhankelijk wordt gemaakt van leningen uit Rusland en China? Komt het heulen met autoritaire vrienden het land ten goede, of vooral de entourage van Orban? Buitenlandse bevoogding vervangen door binnenlandse belangenvermenging, is dat de definitie van Orban’s patriottisme?

Screen Shot 2018-02-20 at 09.55.24

Groei

Ik ben te gast in het Ministerie voor Nationale Economie, gehuisvest in een bijzonder imposant voormalig bankgebouw, gesticht begin twintigste eeuw door een steenrijke Joodse magnaat, wiens zoon, Georg Lukács, de grondlegger van het Westerse Marxisme werd. Ik wil een aantal beleidsmakers mijn veronderstelling voorleggen: Orban beoefent nationalisme voor de bühne, maar achter de schermen houdt hij uitverkoop. “Dat is niet correct,” wordt me meteen vermaand, “Sinds Orban aan de macht is, werd onze buitenlandse schuld net teruggedrongen. We betaalden versneld een lening aan het Internationaal Muntfonds (IMF) terug en moedigden de gezinnen aan om meer te sparen. We bogen een structureel tekort op de handelsbalans om in een surplus.” De hoge ambtenaar met wie ik in gesprek ben voegt nog belerend toe: “Kijk, ik ben geen fan van onze premier, maar jullie West-Europese landen kunnen op economisch vlak iets van ons leren.”

“Ons grootste probleem is dat de investeringen elders uit de Europese Unie stilvallen,” vult een collega aan, “Wij voelen in dat opzicht nog steeds de gevolgen van de crisis. Wat we nu pogen, is opportuniteiten elders te zoeken. Ja, we zullen een lening van acht miljard bij Rusland aangaan om een kerncentrale te bouwen, en ja, we willen Chinees krediet om onze infrastructuur te verbeteren, maar als dat Brussel niet zint, waarom komt het dan zelf niet met investeringen voor de dag? Dit is geen geopolitiek spelletje dat we spelen, dit is economische noodzaak en we boeken vooruitgang. Het vertrouwen in de economie groeit.” Als ik het ministerie verlaat, blijf ik achterdochtig. Het optimisme hier staat in contrast met wat ik in de buitenwijken van de stad aanvoelde. In mijn hotelkamer verdiep ik me in de cijfers en die lijken dat optimisme deels te bevestigen. Enerzijds is er sinds het aantreden van Orban een verbetering op het gebied van de financiën, de koopkracht en de productie in de maakindustrie. Anderzijds doet Hongarije het voor wat de meeste groei-indicatoren betreft minder goed dan buurlanden als Roemenië en Bulgarije. Het onderwijs en de gezondheidszorg zijn een puinhoop.

“Je moet voorbij de waan van de dag kijken. Orban is niet meer dan een verpersoonlijking van een gevecht dat in heel Europa aan de gang is,” had Andras Gero me op het hart gedrukt, ”Dit is het gevecht tussen hoop en angst. De economische heropleving brengt een klein beetje hoop op meer, maar dit is niet voldoende, waardoor angst en onzekerheid regeren. De mensen zien ook hoe de wereld verandert, wat er gebeurt in Oekraïne, in de Balkan en Turkije. De onzekerheid is gigantisch en ga je naar het platteland, daar is het nog erger. De mensen daar vinden Orban niet meer stoer genoeg en kiezen voor het nog extremere Jobbik. Je kunt boos zijn op de Hongaren, maar je bekijkt Hongarije best als een achterbuurt. Er is politieke radicalisering aan de gang. Af en toe moet je de mensen tot de orde roepen, maar ze heeft vooral toewijding en liefde nodig.” (Naar volgende reportage: Servië)

Gepubliceerd in Knack en Trouw.

Leave a Reply