Jonathan Holslag On world order and disorder

Bosnië: De woede wordt groter

Kroa_Bosn_Herz

In 2017 en 2018 reisde ik langsheen de Europese buitenrand: van Groenland tot Sint-Petersburg, van Sint-Petersburg tot Caïro en van Caïro tot Gibraltar. Mijn objectief was te evalueren waar we staan vijftien jaar nadat de Europese Unie haar eerste veiligheidsstrategie publiceerde. “Een veilig Europa in een betere wereld,” was toen de belofte. Wat is ervan gekomen? Mijn bevindingen rapporteerde ik aan de Europese leiders, maar voor Knack en Trouw mocht ik om de twee weken ook een uitgebreide reportage schrijven. Dit was de twaalfde aflevering.

SARAJEVO – Ik ben nog steeds onderweg in de Balkan, de immer rommelende onderbuik van Europa. De politieke kaart van de Balkan werd grondig hertekend door de Joegoslavië-Oorlog in de jaren negentig. Dit conflict was voornamelijk een opstand van Albanezen, Kroaten, Slovenen en Slovenen tegen de Serviërs en hun sterke man, Slobodan Milošević, die zich steeds dictatorialer en nationalistischer opstelde. In het eerste jaar van de oorlog kwamen tienduizenden mensen om. De Verenigde Naties ontplooiden troepen, maar de Serviërs weken niet, lieten sluipschutters burgers doden in de belegerde straten van Sarajevo en brachten in Srebrenica onder de neus van VN-blauwhelmen duizenden burgers om. Een volkerenmoord voltrok zich in het voorportaal van Europa.

“Is dit een tijd om afstandelijk te zijn? Is dit een tijd om je ogen af te wenden?” zongen U2 en de Passengers. Beelden van oorlog wennen, vooral als zij zich in een ver land afspeelt. Maar systematisch kinderen gemolesteerd zien worden, contesteert het rechtvaardigheids-gevoel van eenieder, zeker als die horror zich dicht bij huis voltrekt. De Joegoslavië-oorlog legde niet alleen de humanitaire betrokkenheid bloot, maar ook de geopolitieke belangen. Na het ineenstorten van Joegoslavië werd de regio meer dan ooit een arena voor de grootmachten – Rusland en de Verenigde Staten op kop – en begon duidelijk te worden dat anarchie ook de rest van Europa zou teisteren met vluchtelingenstromen, georganiseerde misdaad en radicalisme.

Als de Europese uitbreiding wordt beschouwd als een project om de veiligheid tussen de Zwarte Zee en de Atlantische Oceaan te verzekeren, dan blijft de Balkan in dat project de belangrijkste lacune. Er wordt steeds vaker gewaarschuwd dat staten er nog erg fragiel zijn en dat het geweld in de regio opnieuw op kan laaien. Ik trek naar Kroatië en Bosnië-Herzegovina om er zicht te krijgen op de situatie vandaag. De ambities van Servië waren een belangrijke bron van ellende, maar wat de Joegoslavië-Oorlog des te bloedig maakte, waren de spanningen tussen bevolkingsgroepen in de kleine dorpen, tussen Serviërs, Bosniërs, Kroaten, enzovoort. Ik wil bestuderen of die groepen zich een generatie later verzoend hebben, hoe ernstig we de berichten over religieuze radicalisering moeten nemen.


Tijgers en adelaars

Met een gehuurde witte Skoda verlaat ik Belgrado via de vlakke rechte weg naar Kroatië. In Vukovar ontmoet ik Ana Horvatinec. Vanonder de luifel van Taverne Dunavska kijken we uit op de Donau. Op de andere oever ligt Servië. Ana getuigde als eerste over de systematische verkrachtingen tijdens de oorlog. “Het was alsof iemand een kwaadaardig virus had verspreid. Mensen die onze buren waren, werden wilden. Witte Adelaars noemden ze zich, aangevuurd door mannen uit Servië. Het ergst is dat ze nog steeds rondlopen en dat wekt woede bij de mensen. Politici hebben dat in de gaten en slaan er munt uit met anti-Servische propaganda. Kroatië is sterk, nu we lid zijn van Europa, maar vroeg of laat kan dit weer uitbarsten.” Hadden zij het geweld niet zien aankomen, wilde ik nog weten. Ana peinst: “Er was steeds ontevredenheid, maar mensen bleven stilzwijgend. Het is ook slechts een kleine groep Serviërs uit onze stad geweest die effectief heeft gevochten, mannen, herinner ik me, die daarvoor al een kort lontje hadden.”

Van Vukovar in Kroatië steek ik door naar Bijeljina in Bosnië-Herzegovina, een stad met 60 procent Serviërs en 30 procent Bosniërs. De weg in Bosnië wordt een stuk slechter. Overal zitten mensen watermeloenen, tomaten en paprika’s te verkopen. Bosnië is een arm land en wordt bovenal geplaagd door onlusten tussen de twee landsdelen: de Servische Republiek en Bosnië. Vanuit Bijeljina zal ik de rivier de Drina tot in Srebrenica en rijd dan naar Sarajevo en Kosovo. Dit was het jachtterrein van de Tijgers van Arkan, een terreurgroep die het grensland wilde zuiveren van alle overwegend islamitische Bosniakken. Jusuf Trbić werd door de mannen van Arkan gevangen, gefolterd en ij zo na geëxecuteerd. “Arkan was een gangster, een pooier en een gokker die rondreed in een roze cabriolet,” vertelt hij me, “Hij heeft in de gevangenis gezeten in Europa en maakte daarna een fortuin in de misdaad. Toen hij trouwde met een lokale zangeres, reed rond met een roze Mercedes-cabriolet en riep zichzelf plots uit tot hoeder van de Servische Orthodoxen.”

Terwijl ik met Jusuf converseer, is er een trouwfeest aan de gang. Een breedgeschouderde mand met een doorrookte stem en een gebit als een schietkraam stapt op ons af. “Ha die Jusuf,” buldert hij. “Weet u mijnheer, we kunnen het hier best vinden met elkaar. Jusuf is Moslim en ik ben een oude Chetnik (Servische nationalist, JH), maar we feesten en drinken samen. We laten ons het hoofd niet meer gek maken.” De realiteit blijkt echter wat complexer en het verleden is nog lang niet verwerkt. De militie van Arkan vermoordde honderden mensen in Bijeljina. Buiten de stad was er een concentratiekamp. Net zoals Ana bevestigt Jusuf dat de daders op vrije voet zijn. “Ik zie iedere dag oorlogsmisdadigers, maar we verkiezen er niet over te praten. Het is zo complex en mensen zijn bang voor nieuwe problemen. Vele Serviërs hebben ons overigens bijgestaan tijdens de oorlog. De bende van Arkan rekruteerde vooral in de dorpen rondom. Zolang de politici de spanningen niet ophitsen, kan de vrede standhouden.”

De Drina

Die politici zijn evenwel weer in actie geschoten. De overheid van de Servische Republiek wil onafhankelijkheid. Omdat ruim 80 procent van haar bevolking uit Serviërs bestaat, loont het om hen op te zetten tegen de minderheid van 14 procent Bosniërs. Ze werpt zich op als de verdediger van het Orthodoxe geloof, de Servische belangen en de as met Rusland. De Bosnische hoofdstad Sarajevo wordt het nieuwe Teheran genoemd. Aan de rand van de stad Bijeljina werd tussen oligarchenvilla’s een gigantische Orthodoxe kerk met gouden koepels gebouwd. Een gift van de Russen, blijkt, en in het centrum staat er nog één. De kerkvoogd rijdt rond met een zwarte Audi-A6, maar voor zijn mis strompelden slechts vier oudjes binnen. Overal in de stad staan verlaten huizen met Servische graffiti. In het dak van een enkel huis is nog steeds een mortierinslag te zien. Onder de kastanjes van het park verkoopt een man ballonnen, Russische vlaggen en speelgoed machinegeweren.

’s Avonds schuif ik aan voor wilde forel met amandelen en citroen bij vier jonge Serviërs. “De wrok is nog steeds aanwezig,” steekt Snezana Tomic van wal, “Het verleden is zwaar en politici maken het moeilijker om gewoon te leven. Hun televisiekanalen starten met haatberichten als was de oorlog nooit geëindigd.” Aleksander Gligoric, pas terug van een jaar werken in Rusland, beaamt: “Mijn vroegere baas droeg zijn mensen op om voor de burgermeester te stemmen en in het kieshokje een selfie met het stembiljet te maken. Protesteer je, dan ben je je baan kwijt. Verkiezingswaarnemers konden er niets aan doen. Het kan weer escaleren, zeker als de Servische Republiek zich volgend jaar met een referendum probeert af te scheiden.”

Is Bijeljina nog een stad, dan ontrolt de rest van de vallei van de smaragdblauwe Drina zich als een groene loper van velden, akkers, bossen en gehuchten. In Janja, een gehucht van slechts enkele honderden mensen, hebben de teruggekeerde Bosniakken zich gevestigd in een nieuwe wijk, slordig gebouwd met rode bakstenen en beton. Recent viel een Servische groep de kleine moskee aan. Zo heeft elk gehucht zijn verhaal. In Zvornik kuieren mensen opnieuw over de verroeste brug die Servië met Bosnië verbindt. Mensen zijn echter nog steeds onder de indruk van een recent voorval waarbij een kippenboer zijn stoppen doorsloegen, een politieman die hem berispte doodschoot en vervolgens vermoedelijk riep dat Allah groot was.

Srebrenica

Hoe is het toch mogelijk dat in zo’n kleine steden en dorpen zo’n bloedbad werd aangericht? Nobelprijswinnaar Ivo Andric beschreef in Brug over de Drina dat de dorpen hier aaneengeregen zijn door onzichtbare draden van haat en wraak. Sommige academici doen dit af als Balkanromantiek, een poging om de Balkan anders te voor te stellen dan het beschaafde Europa. En toch heeft Andric gelijk. Er zijn weinig plekken in Europa waar etnische en religieuze verschillen zo zichtbaar zijn in zo’n kleine gemeenschappen. Josip Tito probeerde dat in zijn Joegoslavische staat te onderdrukken, maar de verschillen bleven bestaan en zijn opvolger Slobodan Milošević bespeelde ze meedogenloos om zijn eigen politieke positie minstens bij de Serviërs veilig te stellen.

Ik nader Srebrenica, iets voor de stad werd een grote begraafplaats ingericht voor de duizenden lichamen die uit massagraven werden gehaald. Achtduizend mensen werden omgebracht. “Art.22 Het is militairen verboden het bezigen van vloeken,” lees ik op een muur in een loods. Het is geschreven door een Nederlandse blauwhelm die in 1995 de inwoners van de stad moest beschermen. Via Jusuf heb ik afgesproken met een nabestaande van een slachtoffer. Alija Vrioni zag zijn oudste zoon worden geëxecuteerd. Zijn vrouw stierf kort daarop. We lopen langs de graven. Sommige zijn nog recent. De ogen van Alija worden poelen van diep verdriet. “Je moet weten dat zowat elke persoon hier in de vallei van de Drina iemand heeft zien vermoord worden. Het is als een gruwelijke film die zich elke dag afspeelt. Ik begrijp niet hoe dat kwaad kon gebeuren, maar we worden er elke dag mee geconfronteerd. Het verdriet is groot, maar vooral de woede wordt groter. Niemand neemt de verantwoordelijkheid.”

Ik vraag hem hoe die woede zich uit. “Het is vooral opgekropte woede, heel veel opgekropte woede. Wat kunnen we doen? Vele gezinnen hebben hun wapens nog, maar niemand wil een nieuwe oorlog. Ik ben echter bang dat als er iets gebeurt, het erg snel kan gaan. Nu schijnt de zon, maar morgen kan het onweren en stormen.” Ik moet opnieuw denken aan de woorden van Andric. “Dronken met bitterheid,” schreef hij. De overheid van de Servische Republiek doet alvast weinig om dat te vermijden. Er wordt haattaal gesproken aan het adres van Bosniakken zoals Alija en in de scholen worden regels verzonnen ten koste van hun kinderen. De armoede is schrijnend en daardoor wordt de steun van islamitische organisaties met open armen ontvangen. Er zijn radicale Chetniks, maar ook radicale Bosniakken waarvan sommigen zich profileren als sympathisant van ISIS. In Novo Kasaba zijn er op verschillende plekken graffiti met radicaal-islamitische symbolen zichtbaar.

Sarajevo

Ik neem Nabij Sarajevo wordt het landschap eerst weidser en vervolgens gaat het door smalle ravijnen en enkele tunnels tot de stad opdoemt. Sarajevo is de hoofdstad van het Bosnische deel en tegenwoordig een vakantieparadijs voor tienduizenden toeristen uit het Midden-Oosten. Er werden zelfs vakantieparken opgetrokken waar gefortuneerde toeristen uit de Golfstaten koetjes kunnen aaien. In mijn hotel ben ik zowat de enige Westerling. “Moslimmannen kunnen hier veilig bier drinken,” vertrouwt men me toe, maar de Saoediërs sponsorden ook de bouw van een grote moskee die met het strikte salafisme gelovigen van de prachtige oude Ottomaanse moskee in het centrum moet weglokken.

Yeluda Kolonomos, een joodse leraar, stelt dat de oudere bevolking zich over het oorlogstrauma heen heeft gezet en dat religie niet zo’n rol speelt. “Bier of geen bier, het maakt niet zoveel. Halal en kosjer worden niet zo nauw genomen, maar bij de jongeren is er vooral een probleem van werkloosheid en doelloosheid waarop radicale ideeën opnieuw gedijen.” Dat is ook de analyse bij de Europese troepen iets buiten de stad. “Vooral de jongeren in dit land zijn rusteloos. Er is radicalisering aan twee kanten. Je hebt de Serviërs gesteund door Belgrado en Rusland en je hebt de Bosniakken gesteund door de Golfstaten, predikers van het kalifaat en even radicale Orthodoxe priesters, predikers in dienst van Bosnische politici en predikers in dienst van Servische politici. Een scheiding van kerk en staat heb je hier niet. En vergis je niet. Bijna elke volwassene heeft we een wapen onder zijn matras.”

Ik laat het Kamp Butmir achter me. Een paar honderd Europese militairen blijft hier de stabiliteit bewaken en dat is nodig. De meeste mensen dragen hun zware oorlogsverleden stilzwijgend. De meerderheid is vooral erg cynisch en gelooft nauwelijks in een betere toekomst. Een kleine minderheid echter blijft bijzonder strijdvaardig en wordt bespeeld door nationalistische politici. En zo begon het ook een kleine twintig jaar geleden. (Naar volgende reportage)

Gepubliceerd in Knack en Trouw.

 

Leave a Reply