Jonathan Holslag On world order and disorder

Het gevecht tussen China en de Verenigde Staten begint nu pas echt.

In het azuren water van de Zuid-Chinese Zee ligt nu al zestien jaar een roestig scheepswrak, plichtbewust bewaakt door een handvol Filipijnse soldaten en een hond. Het zoute water vreet de romp gestaag weg. Intussen is de BRP Sierra Madre talloze keren opgelapt met stalen balken en platen. Een koraalrif, honderd mijl verder, verging het die zestien jaar geheel anders. China rukte een legertje baggerboten aan, hoogde het op, rolde aan heuse landingsbaan uit en plaatste er geavanceerde luchtdoelraketten op. Dit is slechts één recente zet van China in het schaakspel om de dominantie in Oost-Azië.

De voorbije tien jaar heeft Peking zonder oponthoud getracht om de Zuid-Chinese Zee te transformeren in een Chinees meer. Aan de ene kant zien de leiders het als hun “heilige plicht” om er de eilanden bij het moederland aan te hechten. Aan de andere kant is die dominantie in de Zuid-Chinese Zee belangrijk om die andere grote rivaal te contesteren: de Verenigde Staten. De nieuwe Amerikaanse President Donald Trump heeft alvast te kennen gegeven dat hij er niet aan denkt om de Chinezen vrij spel te geven. Toen de Chinezen vorige maand een klein Amerikaans spionagetuig opvisten nabij de BRP Sierra Madre, Twitterde Trump: “Ze mogen het houden!” De gevolgen van die grootmachtenpolitiek zullen niet beperkt blijven tot enkele idyllische koraalriffen.

Ook Europa zal zich moeten schrap zetten, want doorheen de geschiedenis is bijna elke opkomende grootmacht in conflict gekomen met de gevestigde mogendheden en hun bondgenoten. Dat noemt men de valkuil van Thucydides. De Griekse historicus beschreef hoe de economische opmars van Athene leidde tot angst in Sparta, waarop de Peloponnesische Oorlogen uitbraken. Het succes van de ene was het verlies van de andere. Volgt China? “Niets van,” repliceert de strateeg Qian Chengdan kordaat, “Het is een Westerse uitvinding om ons zwart te maken. Wij willen een vreedzame ontwikkeling. Trouwens, het Westen profileert zich in deze hele kwestie als Athene, het boegbeeld van democratie, en verkettert ons als het militaristische Sparta. Onze opkomst is anders. Wij willen geen Chinese heerschappij vestigen.”

Maar dat beloofden de Amerikanen ook in 1823 toen zij hun Monroe-doctrine lanceerden. Goed zeventig jaar later vielen ze Cuba binnen, daarna ook nog eens de Filipijnen om vervolgens uit te pakken met een expansionistische visie, neergepend door Alfred Mahan, die ervan uit ging dat Amerika enkel veilig kon zijn als het de wereldzeeën domineerde. De meeste opkomende grootmachten zijn wat terughoudend in het begin, omdat ze hun kwetsbaarheid inzien, maar houden zich niet meer in als ze voldoende macht in handen hebben. Het Amerikaanse voorbeeld toont het: machtstransities spreiden zich vaak uit over vele decennia. Het is dus belangrijk om verder te kijken dan de verhalen die de voorpagina’s halen, zoals Donald Trump die de Chinezen via Twitter de mantel uitveegt, en de gestage verschuivingen van de invloed te ontdekken.

Open deur

De eerste aanwijzingen van een verschuiving in de machtsbalans zijn economisch van aard. Dankzij de snelle industrialisering heeft China enorme geldreserves opgebouwd en daarmee kan het meer gewicht in de schaal werpen. Het komt een beetje neer op wat de zeventiende-eeuwse Engelse econoom Thomas Mun zei: investeer je financiële overschotten uit factorijen slim in het buitenland en het rendement zal zich blijven opstapelen. Alexander Hamilton en de Duitse econoom Friedrich List leverden een soortgelijk betoog in de negentiende eeuw. China volgt die adviezen steevast. Het staat haar jonge industrieën bij, steunt de uitvoer en stuurt de buitenlandse investeringen. Het gevolg is dat China steeds meer landen in onevenwichtige partnerschappen drukt en, net zoals de Engelsen vanaf de zeventiende eeuw of de Amerikanen vanaf de negentiende eeuw, een opendeurpolitiek beginnen te voeren en buitenlandse markten openbreken.

Het beste voorbeeld daarvan is de Nieuwe Zijderoute, waarmee de nieuwe Chinese President, Xi Jinping uitpakte. De Zijderoute is het begin van China’s opendeurpolitiek. Met spoorwegen en havens wil het de aanvoer van grondstoffen verzekeren en de uitvoer naar andere landen vergroten: de uitvoer van goederen, maar ook van diensten. Eén van die diensten betreft de baggersector. “Wij willen de wereldwijde baggersector met onze standaarden domineren,” stelde de baas van het grootste Chinese baggerbedrijf, CCCC. Met de Zijderoute wil China ook invloed verwerven over andere strategische sectoren, zoals energie en transport. De impact van die Zijderoute op Europa is nu reeds gigantisch. De voorbije jaren groeide de Chinese export naar landen langsheen de Zijderoute met gemiddeld 30 miljard euro; die van Europa kromp met twee miljard.

Die economische ambities leiden meteen een volgende evolutie in: het verharden van de invloed. Economische samenwerking wordt steeds meer gevolgd door politieke voorwaarden. Landen die Chinese leningen willen ontvangen, moeten hun grenzen openen voor Chinese goederen. Landen die de Chinese belangen schaden, mogen het uitzweten. Dat mochten de Noren bijvoorbeeld ondervinden, na de uitreiking van de Nobelprijs aan de mensenrechtenactivist Liu Xiaobo: hun zalm komt er nog steeds niet in. China hecht ook steeds kordatere condities aan de kredieten. In recente contracten met Afrikaanse landen staat vaak dat als ze die niet terugbetalen, China beslag kan leggen op grond of natuurlijke rijkdommen. Belangrijk is ook dat steeds meer Chinese experten toegeven dat de traditionele politiek zich niet te bemoeien met de interne aangelegenheden van andere landen, het principe van niet-tussenkomst, moeilijk vol te houden is gezien China’s groeiende overzeese belangen.

Die groeiende wereldwijde belangen zorgen er ook voor dat de Volksrepubliek steeds nadrukkelijker de internationale spelregels wilt bepalen. De Chinezen hebben al lang begrepen dat de huidige internationale organisaties, zoals de Verenigde Naties, steeds minder gezag uitoefenen. Hoewel ze enerzijds hun aanwezigheid in dergelijke instellingen uitleggen als een bevestiging de verantwoordelijkheidszin van hun land, wordt toch vooral ingezet op nieuwe organisaties die China zelf beter kan aansturen, zoals de Samenwerkingsorganisatie van Shanghai (SCO), met overwegend Centraal Aziatische landen, en het Forum voor Samenwerking met Afrika (FOCAC). China beheert telkens het secretariaat, verstrekt de fondsen en dat levert natuurlijk meer gezag op.

Opnieuw is het verbluffend hoe de Chinese diplomatie de internationale context naar zijn hand zet. De SCO bijvoorbeeld, moest de argwaan bij voor de Chinese aanwezigheid in Centraal Azië wegnemen, vooral bij Rusland. Rusland maakt nu deel uit van de club, maar de Chinezen blijven de energie uit de regio onder de neus van Moskou weghalen en de Russische invloed ondermijnen. Idem met FOCAC. FOCAC werd opgericht om bij de Afrikanen de indruk te wekken dat ze van China meer economische kansen zouden krijgen als van het Westen, maar goed tien jaar na de oprichting, blijven bijna alle Afrikaanse landen opgescheept met een handelstekort. Een ander voorbeeld: de Aziatische Investeringsbank voor Infrastructuur (AIIB), waarin nu ook landen als Nederland meedraaien met de hoop om een graantje meet te pikken van de Chinese buitenlandse investeringen. Maar nu verschillende Europese landen tevreden zijn een zitje in de bank bemachtigd te hebben, gaan de Chinezen onverstoorbaar verder met grote investeringsprojecten buiten die bank om. Door de schijn te creëren van samenwerking, heeft Peking tien jaar lang onverstoord zijn nationale belangen kunnen doordrukken.

Overzeese belangen

De grote vraag wordt nu hoe China die economische belangen militair gaat ruggensteunen. “De vlag volgt de handel,” luidt het oude mercantiele gezegde. Eén van de doelstellingen van China is om zelf de toegang tot de wereld te verzekeren. Vooralsnog waren het vooral de Amerikanen die de zeeroutes beveiligden, het internet en de telecommunicatie. China wil voor zijn veiligheid echter niet afhankelijk van de Verenigde Staten blijven. “We moeten in de toekomst zélf onze overzeese belangen kunnen verdedigen,” verwoordde president Xi Jinping. Dat betekent dat het land nu haar eigen megaservers bouwt, rederijen subsidieert, glasvezelkabels voor het internet wil uitrollen over heel Eurazië en steeds geavanceerdere communicatiesatellieten in een baan rond de aarde brengt. De Chinese marine bewaakt nu de koopvaardij in de Indische Oceaan, soldaten patrouilleren de Mekong en Chinese blauwhelmen houden een oogje in het zeil nabij grote investeringen in Afrika. In Djibouti wordt weldra een eerste militaire basis geopend als steunpunt in de woelige regio. Een steunpunt in Tajikistan moet islam-terroristen bestrijden.

Eigenlijk wil China op lange termijn vooral de militaire bewegingsvrijheid waarvan de Amerikanen vandaag genieten. China is in dat opzicht geen buitenbeentje, maar een normale opkomende macht. In Chinese militaire vaktijdschriften lees je nu al hoe de bijdrage aan VN-operaties de Chinese belangen in Zuid-Soedan moet helpen beveiligen en hoe het leger zich op termijn moet voorbereiden om kritische infrastructuur in onveilige landen te beschermen. “We kunnen het ons niet meer veroorloven om elke keer dat er iets mis gaat in een Afrikaans land onze mensen te evacueren,” was de conclusie in het vakblad Militaire Theorie, “We hebben de slagkracht nodig om onze aanwezigheid te verdedigen.” De kwestie is niet dat dit soort verzuchtingen China per definitie agressiever maakt als de Verenigde Staten, maar dat het de Europese veiligheidsomgeving nog complexer zal maken.

Stille Oceaan

Het verwerven van de onafhankelijke capaciteit om overzeese belangen te verdedigen is een relatief recente doelstelling. Deze komt bovenop de verzuchting om China zelf te verdedigen tegen mogelijke inmenging. Er bestaan echter uiteenlopende interpretaties van hoever “China” zich precies uitstrekt. Volgens Peking hoort daar Taiwan, een stuk Kasjmir, de Gele Zee, de Oost Chinese Zee en de Zuid Chinese Zee bij, of toch grotendeels. Omdat de buurlanden die claims aanvechten, houdt China ernstig rekening met een gewapend conflict. Het ideaal is om de controle over deze gebieden zonder wapengekletter te verwerven, door de tegenpartij te verdelen, hen te vermurwen met economische beloften en de schijn van regionale samenwerking op te houden. Of zoals de klassieke strateeg Sun Tzu het stelde: de beste oorlog is degene die je wint zonder ervoor te moeten vechten.

Dat wil niet zeggen dat China niet inzet op harde macht. China wint nu vooral tijd om zijn strijdkrachten te moderniseren en rivalen binnen een decennia of zo voor het voldongen feit te plaatsen dat het de Chinese harde macht gewoon te verpletterend is om nog een conflict te riskeren. Het gaat hard. China besteedt nu reeds meer aan haar krijgsmacht dan de meeste buurlanden samen. In dat opzicht gaan economische en militaire machtspolitiek hand in hand. Met zijn agressieve handelspolitiek verzwakt China de buurlanden economisch, zodat de meesten gewoon niet de financiële middelen hebben om hun militaire capaciteiten op peil te houden. Japan is in dat opzicht een goed voorbeeld, maar ook India. Omdat China alle industrie naar zich toetrekt, heeft Delhi de centen niet om een sterke zeemacht uit te bouwen, worden de onderzeeërs niet onderhouden, en zijn een aantal schepen gewoon gezonken in de haven.

Wat China op termijn aspireert, en daar maakt het geen geheim van, is militaire pariteit met de Verenigde Staten in de Stille Oceaan. China gaat ervan uit dat het pas veilig kan zijn, als de Verenigde Staten uit het westelijke deel van die oceaan gehouden kunnen worden. Met dat doel voor ogen, heeft het zwaar geïnvesteerd in militaire satellieten die de Amerikaanse strijdkrachten in de regio in de gaten kunnen houden. De eerste ringmuur die wordt opgetrokken, bestaat dus vooral uit sensoren. De tweede gordel betreft raketten. China heeft meer dan duizend raketten klaar staan om vijandige doelwitten in Japan, Taiwan, en Guam te vernietigen. Eén bepaalde raket werd ontworpen om Amerikaanse vliegdekschepen tot op 2000 kilometer uit te schakelen. De derde gordel wordt gevormd door de lucht- en zeemacht. Sinds 2000, nam het maar liefst 267 nieuwe marineschepen en 819 moderne gevechtsvliegtuigen. Een vierde gordel bestaat uit de nieuwe militaire bases op opgehoogde koraalriffen in de Zuid Chinese Zee. Een vijfde gordel betreft de nucleaire afschrikking, waarbij China een klein maar zeer krachtig arsenaal kernwapens bouwt. Tot slot wordt ingezet op cyberoorlog en oorlog in de ruimte: de capaciteit vooral om de vijand te kunnen verblinden. Niemand weet waar de Chinezen precies staan op dat gebied, maar zowel door Peking als door Washington worden er gigantische bedragen in deze oorlogvoering geïnvesteerd.

Waar gaat dat eindigen?

“Het is een normale evolutie. China besteedt nog erg weinig aan defensie in vergelijking met de Verenigde Staten.” Ik leg mijn oor te luisteren bij Zhao Xiaozhuo, een kolonel bij de academie voor strategie van het Chinese leger, dat even buiten Peking ligt. “Eigenlijk zijn de spanningen in de regio vooral het gevolg van de toenemende Amerikaanse aanwezigheid. Daardoor zijn landen als de Filippijnen en Japan in de confrontatiemodus geschakeld.” Generaal Qiao Liang gaat verder: “Amerika ontplooit haar leger niet alleen om ons in te dammen, maar ook om onze welvaart te ondermijnen en zijn alleenheerschappij te bestendigen.” In Washington klinkt dan weer net het tegenovergestelde: het zijn de Chinezen die agressiever worden en buurlanden intimideren. De grens tussen het verdedigen van belangen en het domineren van anderen is dus bijzonder vaag.

Waar gaat dat eindigen? Ik stel de vraag aan Cui Liru, net op pensioen als de grote baas van één van de inlichtingendiensten maar nog steeds met toegang tot de hoogste echelons van de Communistische Partij. “We denken dat de spanningen voorlopig beheersbaar zijn, maar we vermoeden een veel harder beleid ten aanzien van ons land, maar aan onze zijde is er geen speelruimte,” benadrukt hij in het kleine zaaltje waar de buitenlandse gasten van zijn organisatie worden ontvangen, veilig op afstand van de kantorengebouwen, “We willen onderhandelen, maar we zullen geen centimeter van ons land opgeven. De bereidheid om daarvoor te strijden is groot. Ik denk dat de Chinese leiders nog steeds vreedzaam willen groeien, maar de wereld wordt steeds complexer en de dreigingen zijn talrijk.”

Voor wat de Verenigde Staten betreft zijn alvast twee zaken duidelijk. Er zal meer geïnvesteerd worden in defensie. Trump’s steun voor twaalf extra supermoderne aanvalsonderzeeboten geeft aan dat hij de Amerikaanse dominantie in de regio wil verdedigen. Op economisch vlak vertelde een van zijn adviseurs me dat ze het “moederschip” willen treffen. Het betekenen dat Amerika China economisch de wind uit de zeilen wil halen door het te verhinderen nog langer tientalen miljarden aan handelsoverschotten te boeken en zo dus ook de politieke en militaire opmars te stuiten.

Vast staat dat het gevecht om het leiderschap pas begonnen is en dat gevecht zich niet zal beperken tot enkele koraalstranden in een blauwe zee. Door de tweespalt zullen landen als Rusland, Turkije, Egypte en Saudi-Arabië het Westen nog meer uitspelen tegen het Oosten, waardoor ook de Europese invloed verder zal verzwakken. De nieuwe wapenwedloop in het Oosten, zal ook andere spelers aanjagen om hetzelfde te doen en nieuwe strijdperken, zoals cyber, aan belang doen winnen. Het zal de Amerikanen aanzetten om meer van hun capaciteit naar het Oosten te verschuiven, waardoor Europa dus vooral zijn eigen boontjes zal moeten doppen en ook kleine landen als het onze gedwongen zullen zijn om een grotere bijdrage te leveren. Nu mag daar weinig animo voor bestaan, maar uiteindelijk primeren in dat soort kwesties doorgaans toch de harde veiligheidsbelangen.

Gepubliceerd in Knack en Le Vif

Leave a Reply