Jonathan Holslag On world order and disorder

Balkan blijft open wonde

7702911In 2017 en 2018 reisde ik langsheen de Europese buitenrand: van Groenland tot Sint-Petersburg, van Sint-Petersburg tot Caïro en van Caïro tot Gibraltar. Mijn objectief was te evalueren waar we staan vijftien jaar nadat de Europese Unie haar eerste veiligheidsstrategie publiceerde. “Een veilig Europa in een betere wereld,” was toen de belofte. Wat is ervan gekomen? Mijn bevindingen rapporteerde ik aan de Europese leiders, maar voor Knack en Trouw mocht ik om de twee weken ook een uitgebreide reportage schrijven. Dit was de dertiende aflevering.

SKOPJE – Ik laat Sarajevo achter me. Mijn volgende bestemming is Kosovo. Daar wil ik te weten komen waarom dit politieke project, ondanks aanzienlijke steun van het Westen, op een teleurstelling is kunnen uitdraaien. Vervolgens zet ik koers naar Macedonië, een land waarvan beweerd wordt dat er een burgeroorlog kan uitbreken. Navigerend doorheen de Balkanvalleien blijft het verleidelijk om te berichten over het landschap: de ravijnen die als rijzige poorten toegang geven tot azuren meren, de verrassende vergezichten en weelderige boomgaarden. Ik houd halt Višegrad met zijn gracieuze stenen brug, in de zestiende eeuw opgetrokken door de Turkse Ottomanen. Wat verder bezoek ik het klooster van Mileševa en staar er een half uur lang in volstrekte stilte naar een achthonderd jaar oude fresco van een witte engel.

Toch hangt over de valleien ook de zware recente oorlogsgeschiedenis, kent elk dorp zijn trauma en elke familie zijn tranen. Sommige huizen zijn half afgewerkt; andere half stuk geschoten. Dorpen ogen verlaten. Grensposten zijn vaak niet meer dan een bareel onder een afdak. Overal in het laken van groen, azuur en grijs liggen afvalhopen, wrakken en dampende stortplaatsen. Ik nader Kosovo. Het landschap lijkt op Scandinavië, bergachtig met hoge sparren, korstmos en bosbessen. Mijn Skoda gromt. Het is klimmen tot 2000 meter om bij de Kosovaarse grens te komen. De douanepost staat pal op de bergtop en opnieuw 2000 meter lager aan de andere kant van de bergkam ontrolt zich spectaculair de Kosovaarse vlakte.

Mileševa

Kosovo

Deze Zljeb Berg maakte eeuwenlang deel uit van de frontlijn tussen de Turks-Ottomaanse troepen en de Serviërs. Met de overwinning in de Slag op het Merelveld in 1389 hakten de turken zich letterlijk een weg naar Belgrado. Dat verklaart waarom de Serviërs historisch aan Kosovo gehecht zijn: het is hun voorpost tegen de invloed van de Ottomanen, de Albanezen en de Islam. Van de grenspost op de bergrug slalom ik de vlakte in. Het is druk op de hoofdweg en ik wurm me tussen een colonne rokerige vrachtwagens. In de verte doemen de contouren op van een grote basis waar NAVO-soldaten nog steeds de wacht optrekken. Eén van de gevoelige plekken in dit oostelijke deel van Kosovo is het Orthodoxe klooster van Dečani. Het werd in de veertiende eeuw, vlak voor de Turkse invasie, opgetrokken door de koning van Servië en blijft een bedevaartsoord voor Serviërs.

Het is vroeg in de ochtend, stil en miezerig. Plots doemt een wegversperring van de NAVO op en vlak voor het klooster staat er nog een. Een pantserwagen en zwaarbewapende Sloveense NAVO-soldaten hebben er postgevat. De hele site is extra beveiligd met concertina en sensoren. “Kosovaarse nationalisten hebben herhaaldelijk geprobeerd dit monument te treffen,” hoor ik van een luitenant, “Als het ze zou lukken, zou dat catastrofale gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid. We zijn hier de klok rond.” De kloosterpoorten zijn nog toe. In de verte ruist een rivier. De roep van een wielewaal galmt door de vallei. Dan leidt een novice me naar de kapel, ongetwijfeld een van de meest adembenemende die ik aanschouwde. De hele middeleeuwse kunstgeschiedenis van de Balkan zit in het gebouw vervat en de fresco’s zijn adembenemend. In één hoek werd de stamboom van de Servische dynastie geschilderd.

Het valt te begrijpen dat het verlies van Kosovo voor de Serviërs moeilijk te verteren is, bedenk ik me als ik langs de galerij van zwijgend starende heiligen waar. Maar ook de Kosovaarse drang naar onafhankelijkheid is te bevatten. Lange tijd was Kosovo een autonome regio in Joegoslavië, maar toen de Servische leider Slobodan Milošević die autonomie terug schroefde, groeide de haat bij de Albanese Kosovaren. In 1990 kwam er een eerste onafhankelijkheidsverklaring. Daarna volgde de Joegoslavische oorlog, de NAVO-interventie die de Kosovaren beschermde tegen de Serviërs, de de facto afscheiding van Kosovo en de formele onafhankelijkheid in 2008. Belgrado heeft dat nooit aanvaard. Velen in Belgrado menen dat de Joegoslavië-oorlog berustte op een pact tussen het Westen en de islamitische Albanezen, tégen de orthodoxe Servisch-Russische alliantie.

Decani

Diaspora

Er wonen nog steeds tienduizenden Serviërs in Kosovo, bijna uitsluitend in de noordelijke regio Mitrovica. NAVO-soldaten bewaken die exclave. Sinds 2004 is het er rustig. Inmiddels heb ik het klooster verlaten voor de stad Pec. Pec is als een fuik van rusteloosheid. Hoe meer ik me in het centrum begeef, hoe minder mensen zich wat aan trekken van verkeersregels. Alle wegen zijn dichtgeslibd en ofschoon er slechts twee rijstroken zijn afgebakend, hebben de automobilisten er drie van gemaakt. Venters en bedelaars vullen de overgebleven ruimte op. Over de straten hangt een wirwar van elektriciteitskabels en een vette walm van de eetkramen op de stoep. Pec is een straatarme stad, maar mijn wagen oogt bescheiden tussen de talrijke dure SUV’s: BMW’s, Porsches en Mercedes.

“Dat is de Kosovaarse diaspora,” verneem ik van een piccolo van mijn hotel, “Ze komen in de zomer uit Zwitserland, Duitsland, België en Nederland naar hier om te tonen hoe goed ze het hebben.” ’s Avonds heb ik in het hotel met twee jongeren afgesproken. Ze vinden het verschrikkelijk, die rijke neven die hier hun weelde komen tonen. “Vroeger stortten ze nog geld terug naar de achterblijvers in Kosovo, maar nu is dat veel minder. Ze kijken niet meer om naar ons. In de zomer komen ze wel naar hier om te huwen met de lokale meisjes en ze mee te nemen naar huis. Het perverse is dat arme families hier betalen voor hun trouwfeest.” Meteen valt het me op dat zowat de hele lounge bevolkt is door opgedirkte tieners. Ze roken dunne sigaretten en spelen met hun telefoon. “Deze sofa’s kunnen een ontsnappingsweg zijn, weg uit dit land.”

Bij het verlaten van Pec, de ochtend erna, slaat mijn navigatiesysteem tilt en ik beland onbedoeld in een gehucht. Overal hangen de rood-zwarte vlaggen van het Kosovaarse bevrijdingsleger en staan opgeblonken monumenten ter nagedachtenis van de oorlog. Portretten van jonge mannen staren me aan: 1998, 1999. In het graslandschap wordt naarstig gebouwd. In het oog springen vooral enkele blingbling-villa’s met Korinthische zuilen, marmeren adelaars en hekwerk in verchroomd staal. De meeste optrekjes zijn echter spaarzaam opgetrokken met snelbouwstenen en beton. Een gemiddelde Kosovaar verdient slechts 10 euro per dag. Dertig procent van de bevolking is werkloos. Een kwart van de Kosovaarse economie hangt af van geld uit het buitenland.

Pec

Poetin

Ik arriveer in de hoofdstad Pristina. Als ik de parking van het Swiss Diamond Hotel opdraai, wordt subtiel duidelijk gemaakt dat mijn Skoda liefst niet te lang naast de Ferrari, de Maserati en de Lamborghini blijft staan. De diaspora boert duidelijk goed. Ik word verwacht in het hoofdkwartier van de Europese Unie, het modernste kantoor in het centrum. “Het gaat te traag,” hoor ik, “Jonge politici willen moderniseren, maar het land is in de greep van een kleine groep die in de jaren negentig een nationalistische strijd leverde tegen de Serviërs maar nu een strijd levert voor het behoud van smokkelnetwerken en goed betaalde overheidspostjes. Die oude elite ziet buitenlandse pottenkijkers als wij liefst zo snel mogelijk verdwijnen. Maar als we verdwijnen, dan wordt dit land een gangsterstaat.”

Dat verhaal wordt me in Pristina bevestigd door EU-ambtenaren, door NAVO-officieren en vooral door Kosovaren zélf. “Kijk, onze politieke elite dankt zijn bestaan aan de oorlog. Ze maakten deel uit van het bevrijdingsleger, maar bezondigden zich net als de Serviërs aan buitensporig geweld en criminaliteit,” legt een jonge Kosovaarse ambtenaar me uit, “Politiek was hun enige manier om aan vervolging te ontsnappen en nu gebruiken ze hun macht om zichzelf te verrijken. Het is soms heel dubbelzinnig. Aan de ene kant, bijvoorbeeld, prediken die politici haat tegenover de Serviërs en de Russen, maar aan de andere kant doen ze er gewoon zaken mee. Neem vice-eersteminister Behgjet Pacolli. Hij is miljardair, behoort tot de intimi van Vladimir Poetin. Het hotel, waar u verblijft, is van hem. Nog een vice-eersteminister, Fatmir Limaj, kwam in opspraak door fraude. Vakministers zijn vaak wel van goede wil, maar ze hebben geen macht.”

Steevast wordt door mijn gesprekspartners gewezen naar de president, Hashim Thaçi. De Raad van Europa, de FBI, beide hadden een dossier tegen hem, maar hij blijft aan de macht. “Thaçi houdt het land gegijzeld,” hoor ik bij een medewerker van het buitenlandministerie, “De bevolking moet er niet veel van weten, maar als men hem in het nauw zou drijven, kunnen hij en zijn partners het land zo destabiliseren en de status quo met Servië opblazen. Het is vooral schrijnend om te zien dat Europa gewoon toekijkt. Europa heeft hier een dikke tweeduizend politiemannen en rechters ontplooid, maar ze doen amper totaal niets aan de corruptie en het machtsmisbruik.” Kort na mijn bezoek aan Kosovo werd dat verhaal bevestigd: de hervormingsgezinde eerste minister Isa Mustafa werd door Thaçi vervangen door Ramush Haradinaj, een getrouwe, een oud-strijder van het bevrijdingsleger – én herhaaldelijk beticht van allerlei misdaden.

Wat een klucht, bedenk ik me als ik Pristina buiten rijd en het zwaarbewaakte hoofdkwartier van EULEX passeer. Eén miljard euro heeft die EULEX-missie gekost, met als verwachting de rechtstaat in Kosovo op te bouwen, maar niemand lijkt er nog echt in te geloven. Een nieuwe oorlog is hier niet meteen de grootste bedreiging en evenmin de vermeende opkomst van de radicale islam, waar ik voor mijn Balkanreis veel over las. De meeste Kosovaren zijn vooral moe van het geweld. De acute kwelling van oorlog is echter vervangen nu door de latente kwelling van corruptie, armoede en uitzichtloosheid.

Screen Shot 2018-02-19 at 20.04.11

Alexander de Grote

Intussen ben ik het Sar-gebergte doorgestoken op weg naar Skopje, de hoofdstad van Macedonië. Kosovaarse vlakte maakt plaats voor een schraal glooiend landschap. Macedonië is een uitgestrekt land, maar telt slechts twee miljoen inwoners. Volgens sommigen is hier een burgeroorlog in de maak. Anderzijds, echter, is er ook hoopvol nieuws. In tegenstelling tot Kosovo, lijkt Macedonië immers wél in staat om van zijn politieke krokodillen af te geraken.

Ik arriveer in Skopje, baan me een weg door de stoffige buitenwijken met hun krotten en talrijke straatarme zigeunernederzettingen en arriveer in een bevreemdend artificieel centrum dat het midden houdt tussen een museum en Disneyland. Hoe moet ik de politieke toestand in dit land begrijpen, steek ik van wal als ik twee Europese diplomaten ontmoet op een terras dat uitkijkt op een gigantisch bronzen ruiterstandbeeld van Alexander de Grote. “Realiseer je vooral dat dit een arm land is. Mensen verdienen vierhonderd euro per maand. Macedonië verwacht daarom erg veel van de Europese Unie, maar veel interne hervormingen werden tegengehouden door de elite. Tien jaar lang was dit land in de greep van Nikola Gruevski. Iedereen wist dat hij zich bezondigde aan afpersing, corruptie en haatpolitiek jegens de Albanese minderheid, maar pas vorig jaar werd hij de laan uitgestuurd (JH, Gruevski zou tienduizenden Macedoniërs hebben laten afluisteren).”

“De nieuwe eerste minister, Zoran Zaev, is de beste kans voor hervormingen in decennia,” vult zijn collega aan, “Hij is minder bezoedeld door de geschiedenis van dit land, genie teen grote populariteit bij de bevolking, heet ervaring en wil bovenal een einde maken aan de verdeeldheid tussen Macedoniërs en Albanezen. Zaev is pragmatisch. Hij wil een einde maken aan de tweestrijd met Griekenland over de naam van de staat. Om die rede belemmeren de Grieken immers de toenadering tussen Macedonië en de Europese Unie. Nu is het aan Europa om die positieve wending te ondersteunen. De Balkan heeft nood aan een succesverhaal en dit is misschien geheel onverwacht de plaats waar we er een kunnen schrijven.”

De zon gaat onder. Mijn witte Skoda heb ik inmiddels ingeleverd en een oude witte Mercedes brengt me het laatste stuk in de Balkan tot aan de Griekse havenstad Thessaloniki. Aan de grens moet de chauffeur een sticker op zijn vesten kleven “De aanduidingen op de nummerplaat worden niet erkend in Griekenland, maar als FYROM, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.” Geschiedenis is nooit ver weg in de Balkan, maar eigenlijk vind ik dat het in de Balkan nog opvallend rustig blijft, gezien de armoede, de corruptie en het opportunisme van de grootmachten. Er valt zo ontzettend veel te rapporteren over de regio, maar ik zou mijn traject samenvatten als een lange oorlogswonde: haastig gehecht en onvoldoende verzorgd. (Naar volgende reportage: Thessaloniki, Griekenland)

Skopje

(Gepubliceerd in Knack en Trouw)

Leave a Reply